Natuurkunde · Begrippenlijst

Wat is Massa, impuls, kracht?

Definitie 12.1 Universitaire natuurkunde — jaar 1 · Hoofdstuk 12 — De bewegingswetten van Newton

Een puntmassa heeft een traagheidsmassa m>0m > 0 (kilogram), een maat voor haar weerstand tegen snelheidsveranderingen, onafhankelijk van het stelsel. Haar impuls in een stelsel is

p=mv(kgm/s).\vect p = m\,\vect v \qquad (\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}).

Een kracht F\vect F (newton) is de werking van een ander lichaam op de massa; krachten tellen op als vectoren, en de resultante is hun som F\sum\vect F.

Voorbeelden

Voorbeeld 12.11 (Blok op een helling)

Een blok met massa mm op een vlak met hellingshoek α\alpha, coëfficiënten μs\mu_s en μd\mu_d. Assen: xx langs de helling omlaag, yy langs de normaal. Gewicht (mgsinα,mgcosα)(mg\sin\alpha, -mg\cos\alpha), normaalkracht (0,N)(0, N), wrijving (T,0)(-T, 0) als het naar beneden glijdt. Langs yy: N=mgcosαN = mg\cos\alpha. In rust langs xx: T=mgsinαμsN=μsmgcosαT = mg\sin\alpha \leq \mu_sN = \mu_smg\cos\alpha, dus tanαμs\tan\alpha \leq \mu_s: het blok blijft liggen tot de hoek arctanμs\arctan\mu_s — een meting van μs\mu_s waarvoor geen weegschaal nodig is. Glijdend: ma=mgsinαμdmgcosαma = mg\sin\alpha - \mu_dmg\cos\alpha, dus a=g(sinαμdcosα)a = g(\sin\alpha - \mu_d\cos\alpha), onafhankelijk van mm: 3.2m/s23.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} voor α=30\alpha = 30^\circ, μd=0.2\mu_d = 0.2.

Voorbeeld 12.12 (De wiskundige slinger)

Massa mm aan een koord met lengte \ell, hoek θ\theta met de neerwaartse verticaal. Poolcoördinaten in het ophangpunt: a=θ˙2er+θ¨eθ\vect a = -\ell\dot\theta^2\,\vect e_r + \ell\ddot\theta\,\vect e_\theta; krachten: het gewicht mg(cosθersinθeθ)mg(\cos\theta\,\vect e_r - \sin\theta\,\vect e_\theta) en de spankracht Ter-T\vect e_r. Langs eθ\vect e_\theta: mθ¨=mgsinθm\ell\ddot\theta = -mg\sin\theta,

θ¨+gsinθ=0,\ddot\theta + \frac{g}{\ell}\sin\theta = 0 ,

wat voor kleine hoeken (sinθθ\sin\theta \approx \theta) de harmonische vergelijking is met ω0=g/\omega_0 = \sqrt{g/\ell}: periode T0=2π/gT_0 = 2\pi\sqrt{\ell/g}, de k=2πk = 2\pi die Voorbeeld 1.8 niet kon leveren. Langs er\vect e_r: T=mgcosθ+mθ˙2T = mg\cos\theta + m\ell\dot\theta^2 — het koord trekt het hardst onderin, waar de snelheid het grootst is.

Lees in het hoofdstuk →