Natuurkunde · Begrippenlijst

Wat is Vermogen?

Ook bekend als: watt · vermogen mechanisch · paardenkracht

Definitie 9.15 Natuurkunde bovenbouw · Hoofdstuk 9 — Energie: vormen en behoud

Het vermogen is de snelheid waarmee energie stroomt, P=E/tP = E/t, gemeten in watt (W\mathrm{W}), met 1W=1J/s1\,\mathrm{W} = 1\,\mathrm{J}/\mathrm{s}. Energie is een hoeveelheid, vermogen een stroom — een badkuip tegenover haar kraan.

Voorbeelden

Voorbeeld 9.16 (Waterkoker tegen mens)

Een waterkoker van 2200W2200\,\mathrm{W} die 150s150\,\mathrm{s} draait, verbruikt E=2200×150=3.3×105JE = 2200 \times 150 = 3.3 \times 10^{5}\,\mathrm{J}. Een mens draait op ongeveer 10MJ10\,\mathrm{MJ} voedsel per dag, gemiddeld 1.0×107/86400116W1.0 \times 10^{7}/86\,400 \approx 116\,\mathrm{W}: je staat stationair te draaien als een felle ouderwetse gloeilamp.

Lees in het hoofdstuk →
Definitie 17.13 Natuurkunde bovenbouw · Hoofdstuk 17 — Arbeid van een kracht

Het vermogen van een kracht is het tempo waarin ze arbeid verricht, P=W/ΔtP = W/\Delta t, in watt (W=J/s\mathrm{W} = \mathrm{J}/\mathrm{s}) — dezelfde watt als in Hoofdstuk 12. Op motorplaatjes leeft een eenheid van vóór het SI voort: de paardenkracht, 1hp=736W1\,\mathrm{hp} = 736\,\mathrm{W}.

Voorbeelden

Voorbeeld 17.15 (Hijskraan)

Een kraan hijst een pallet van 600kg600\,\mathrm{kg} met een constante 0.90m/s0.90\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: de kracht in de kabel is gelijk aan het gewicht, mg=5.89×103Nmg = 5.89 \times 10^{3}\,\mathrm{N}, dus P=Fv=5890×0.905.3kW7.2hpP = Fv = 5890 \times 0.90 \approx 5.3\,\mathrm{kW} \approx 7.2\,\mathrm{hp} — zeven paarden in een stalen kast.

Lees in het hoofdstuk →