Physics · Boek 2 · Grades 10–12

Natuurkunde bovenbouw

Natuurkunde bovenbouw · Grades 10–12

17Arbeid van een kracht

Duw een kast door de kamer en je hebt arbeid verricht; duw een hele middag tegen een muur en de natuurkunde telt, wat je spieren ook melden, nul. Arbeid is wat een kracht langs een beweging levert — energie onderweg (Hoofdstuk 9), betaald in joule. Dit hoofdstuk zet een prijs op de krachten van Hoofdstuk 16 — trekken onder een hoek, gewicht, wrijving — en klokt het betaaltempo: het vermogen.

17.1 Arbeid van een constante kracht

Definitie 17.1 (Arbeid van een constante kracht)

Een constante kracht F→\vect F die aangrijpt op een voorwerp dat langs een recht stuk van AA naar BB beweegt, verricht de arbeid

WAB(F→)=F×AB×cos⁡θ,W_{AB}(\vect F) = F \times AB \times \cos\theta ,

waarin FF de grootte van de kracht is (in N\mathrm{N}), ABAB de lengte van de verplaatsing (in m\mathrm{m}) en θ\theta de hoek tussen F→\vect F en AB→\vect{AB}. Arbeid wordt gemeten in joule (J\mathrm{J}): één joule is de arbeid van een kracht van één newton over één meter in haar eigen richting.

Opmerking 17.2

F×AB×cos⁡θF \times AB \times \cos\theta is precies het inwendig product F→⋅AB→\vect F \cdot \vect{AB} uit het wiskundevolume van dit jaar. Alleen de component Fcos⁡θF\cos\theta langs de beweging levert iets op.

Alleen de projectie F van de kracht op de verplaatsing verricht arbeid: W_AB( F) = F × AB ×.
Alleen de projectie Fcos⁡θF\cos\theta van de kracht op de verplaatsing verricht arbeid: WAB(F→)=F×AB×cos⁡θW_{AB}(\vect F) = F \times AB \times \cos\theta.

Voorbeeld 17.3 (Koffer aan een riem)

Een reiziger sleept een koffer 300 m300\,\mathrm{m} door een vertrekhal, met de riem onder θ=50∘\theta = 50{}^{\circ} met de vloer getrokken met F=40 NF = 40\,\mathrm{N}: W=40×300×cos⁡50∘≈7.7 kJW = 40 \times 300 \times \cos50{}^{\circ} \approx 7.7\,\mathrm{kJ}. Vlak getrokken (θ=0\theta = 0) zou dezelfde kracht 12 kJ12\,\mathrm{kJ} leveren: een derde van de trek tilt niets op.

Definitie 17.4 (Drijvende, remmende en nul-arbeid)

Het teken van cos⁡θ\cos\theta deelt elke kracht in drie regimes in:

  • θ<90∘\theta < 90{}^{\circ}: W>0W > 0, de arbeid is drijvend — de kracht voert energie aan de beweging toe;
  • θ=90∘\theta = 90{}^{\circ}: W=0W = 0, de kracht verricht in het geheel geen arbeid, hoe groot ze ook is;
  • θ>90∘\theta > 90{}^{\circ}: W<0W < 0, de arbeid is remmend — de kracht tapt energie af. Het zuivere geval is een rem bij 180∘180{}^{\circ}: 800 N800\,\mathrm{N} over 45 m45\,\mathrm{m} haalt 800×45×(−1)=−36 kJ800 \times 45 \times (-1) = -36\,\mathrm{kJ} uit een auto, en stopt die in hete remschijven.
De drie regimes — drijvend, nul, remmend — naar de hoek tussen kracht en verplaatsing (rode pijl). De drie regimes — drijvend, nul, remmend — naar de hoek tussen kracht en verplaatsing (rode pijl). De drie regimes — drijvend, nul, remmend — naar de hoek tussen kracht en verplaatsing (rode pijl).
De drie regimes — drijvend, nul, remmend — naar de hoek tussen kracht en verplaatsing (rode pijl).

17.2 De arbeid van het gewicht

Propositie 17.5 (Arbeid van het gewicht)

Wanneer een voorwerp met massa mm van AA (hoogte zAz_A) naar BB (hoogte zBz_B) beweegt langs welke weg van rechte stukken dan ook, verricht zijn gewicht P→\vect P de arbeid

WAB(P→)=mg (zA−zB)=± mgh,W_{AB}(\vect P) = mg\,(z_A - z_B) = \pm\, mgh ,

waarin h=∣zA−zB∣h = \abs{z_A - z_B} het hoogteverschil is: +mgh+mgh omlaag, −mgh-mgh omhoog — alleen de daling telt, niet de route.

Bewijs. Op één recht stuk ABAB maakt het gewicht (grootte mgmg, recht omlaag) een hoek θ\theta met AB→\vect{AB}, en ABcos⁡θAB\cos\theta is precies de projectie van de verplaatsing op de neerwaartse verticaal: zA−zBz_A - z_B. Dus W=mg×ABcos⁡θ=mg (zA−zB)W = mg \times AB\cos\theta = mg\,(z_A - z_B). Langs een keten van stukken tellen de arbeiden op en vallen de dalingen tegen elkaar weg: mg(zA−zC)+mg(zC−zB)=mg(zA−zB)mg(z_A - z_C) + mg(z_C - z_B) = mg(z_A - z_B). ∎

Propositie 17.6 (Elke weg)

Dezelfde formule geldt langs elke gekromde weg van AA naar BB.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

Opmerking 17.7

Aannemelijk — een kromme ligt zo dicht als we willen bij een gebroken lijn van vele korte stukken — maar dat “zo dicht als we willen” eerlijk maken is analyse, en die volgt in Hoofdstuk 29.

Recht (blauw) of kronkelend (groen), elke weg van A naar B daalt dezelfde h: het gewicht verricht op beide +mgh.
Recht (blauw) of kronkelend (groen), elke weg van AA naar BB daalt dezelfde hh: het gewicht verricht op beide +mgh+mgh.

Voorbeeld 17.8 (Wandelaar)

Een wandelaar van 78 kg78\,\mathrm{kg} (rugzak inbegrepen) klimt 450 m450\,\mathrm{m}, langs welk pad ook: W(P→)=−78×9.81×450≈−344 kJW(\vect P) = -78 \times 9.81 \times 450 \approx -344\,\mathrm{kJ}, en precies +344 kJ+344\,\mathrm{kJ} op de terugweg omlaag, hoeveel omwegen hij ook maakt.

17.3 De arbeid van de wrijving

Propositie 17.9 (Arbeid van glijdende wrijving)

Een wrijvingskracht met constante grootte ff, op elk ogenblik tegengesteld aan de beweging, verricht over een weg met totale lengte LL de arbeid W=−fLW = -fL: altijd remmend, en evenredig met de lengte van de afgelegde weg — niet met de verplaatsing.

Bewijs. Op elk kort recht stukje staat de kracht onder 180∘180{}^{\circ} met de beweging en levert ze −f×(de lengte ervan)-f \times (\text{de lengte ervan}); de stukjes tellen op tot −fL-fL. Een gekromde weg wordt op dezelfde manier in korte stukjes gehakt, met de limiet aangenomen zoals bij het gewicht (Opmerking 17.7). ∎

Opmerking 17.10 (Wrijving tegen gewicht: de grote scheidslijn)

De arbeid van het gewicht vergeet de weg; die van de wrijving is tol per meter. Op een rondreis levert het gewicht netto nul op — wat het bergopwaarts vraagt, geeft het bergafwaarts terug — terwijl de wrijving op elk stuk −fL-fL int en niets teruggeeft: de arbeid van het gewicht laat zich opslaan en terugwinnen (potentiële energie, Hoofdstuk 18), die van de wrijving gaat als warmte verloren.

Voorbeeld 17.11 (Heen en terug)

Een krat schuift 5.0 m5.0\,\mathrm{m} over een vloer en 5.0 m5.0\,\mathrm{m} terug, tegen f=60 Nf = 60\,\mathrm{N} in: de wrijving verricht −60×10=−600 J-60 \times 10 = -600\,\mathrm{J}, ook al eindigt het krat waar het begon. Gewicht en normaalkracht staan loodrecht op de beweging: overal nul.

Opmerking 17.12 (En een veer?)

Een veer trekt harder naarmate ze verder is uitgerekt: haar kracht is niet constant en Definitie 17.1 is niet van toepassing. Haar arbeid betekent de uitrekking in oneindig kleine stapjes opdelen en optellen — analyse, die in Hoofdstuk 29 wordt geleverd.

17.4 Vermogen

Definitie 17.13 (Vermogen)

Het vermogen van een kracht is het tempo waarin ze arbeid verricht, P=W/ΔtP = W/\Delta t, in watt (W=J/s\mathrm{W} = \mathrm{J}/\mathrm{s}) — dezelfde watt als in Hoofdstuk 12. Op motorplaatjes leeft een eenheid van vóór het SI voort: de paardenkracht, 1 hp=736 W1\,\mathrm{hp} = 736\,\mathrm{W}.

Propositie 17.14 (Vermogen bij constante snelheid)

Beweegt het voorwerp met constante snelheid vv, dan levert een constante kracht F→\vect F onder een hoek θ\theta met de beweging het vermogen P=Fvcos⁡θP = F v \cos\theta — en in het bijzonder P=FvP = Fv voor een kracht langs de beweging.

Bewijs. In een tijd Δt\Delta t legt het voorwerp d=v Δtd = v\,\Delta t af, dus W=F×v Δt×cos⁡θW = F \times v\,\Delta t \times \cos\theta; deel door Δt\Delta t. ∎

Voorbeeld 17.15 (Hijskraan)

Een kraan hijst een pallet van 600 kg600\,\mathrm{kg} met een constante 0.90 m/s0.90\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: de kracht in de kabel is gelijk aan het gewicht, mg=5.89×103 Nmg = 5.89 \times 10^{3}\,\mathrm{N}, dus P=Fv=5890×0.90≈5.3 kW≈7.2 hpP = Fv = 5890 \times 0.90 \approx 5.3\,\mathrm{kW} \approx 7.2\,\mathrm{hp} — zeven paarden in een stalen kast.

Methode 17.16 (Klimmen met minder kracht: de zigzag)

Om een last met een beperkte kracht een hoogte hh op te tillen:

  1. De rekening ligt vast: volgens Propositie 17.5 kost elke route naar boven de arbeid mghmgh.
  2. Rek de weg op: op een helling met lengte LL is de benodigde kracht (bij constante snelheid, wrijving daargelaten) F=mgh/LF = mgh/L — verdubbel de lengte en de kracht halveert.
  3. Betaal de toeslag: de wrijving rekent per meter (Propositie 17.9) en voegt fLfL toe.

Bergwegen zigzaggen om stap 2: dezelfde hoogte, minder kracht, dezelfde arbeid.

1200\, kg over h = 300\, m omhoog slepen: het product F × L = mgh = 3.53\, MJ ligt vast, dus ruilt de weg lengte tegen kracht (zie ).
1200 kg1200\,\mathrm{kg} over h=300 mh = 300\,\mathrm{m} omhoog slepen: het product F×L=mgh=3.53 MJF \times L = mgh = 3.53\,\mathrm{MJ} ligt vast, dus ruilt de weg lengte tegen kracht (zie Oefening 17.12).

17.5 Oefeningen

Oefening 17.1 ★

Een constante kracht F=40 NF = 40\,\mathrm{N} werkt over een rechte verplaatsing van 50 m50\,\mathrm{m}: bereken haar arbeid voor θ=0∘\theta = 0{}^{\circ}, 60∘60{}^{\circ}, 90∘90{}^{\circ} en 120∘120{}^{\circ}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.1.

W=40×50×cos⁡θW = 40 \times 50 \times \cos\theta: +2000 J+2000\,\mathrm{J}; +1000 J+1000\,\mathrm{J}; 00; −1000 J-1000\,\mathrm{J}.

Oefening 17.2 ★

Een gereedschapskist van 12 kg12\,\mathrm{kg} wordt 2.5 m2.5\,\mathrm{m} uit een bestelwagen omlaag gelaten en later weer omhoog getild. Welke arbeid verricht haar gewicht in beide gevallen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.2.

mgh=12×9.81×2.5=294 Jmgh = 12 \times 9.81 \times 2.5 = 294\,\mathrm{J}: omlaag gelaten +294 J+294\,\mathrm{J} (het gewicht werkt met de daling mee); omhoog getild −294 J-294\,\mathrm{J}.

Oefening 17.4 ★

Een kraan tilt 600 kg600\,\mathrm{kg} 25 m25\,\mathrm{m} omhoog met constante snelheid. Welke arbeid verrichten de hijskracht en het gewicht? Wat is hun som, en waarom?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.4.

Constante snelheid: de hijskracht is mg=5.89×103 Nmg = 5.89 \times 10^{3}\,\mathrm{N}, dus Whijs=5886×25≈+147 kJW_{\text{hijs}} = 5886 \times 25 \approx +147\,\mathrm{kJ} en W(P→)=−147 kJW(\vect P) = -147\,\mathrm{kJ}. De som is nul: bij constante snelheid zijn de krachten in evenwicht (Hoofdstuk 16), dus heffen hun arbeiden elkaar op.

Oefening 17.5 ★

De motor van een roltrap verricht elke minuut 90 kJ90\,\mathrm{kJ} arbeid. Wat is zijn vermogen in watt? En in paardenkracht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.5.

P=9.0×104/60=1.5 kWP = 9.0 \times 10^{4}/60 = 1.5\,\mathrm{kW}; 1500/736≈2.0 hp1500/736 \approx 2.0\,\mathrm{hp}.

Oefening 17.6 ★★

Een slee wordt 200 m200\,\mathrm{m} voortgetrokken door een touw met spankracht 120 N120\,\mathrm{N} onder 30∘30{}^{\circ} boven de sneeuw; de wrijving is 45 N45\,\mathrm{N}. Welke arbeid verricht elk van de vier krachten (touw, wrijving, gewicht, normaalkracht), en hoeveel is het totaal?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.6.

Touw: 120×200×cos⁡30∘≈+20.8 kJ120 \times 200 \times \cos30{}^{\circ} \approx +20.8\,\mathrm{kJ}; wrijving: −45×200=−9.0 kJ-45 \times 200 = -9.0\,\mathrm{kJ}; gewicht en normaalkracht staan loodrecht: 00. Totaal +11.8 kJ+11.8\,\mathrm{kJ}: de slee wint snelheid.

Oefening 17.7 ★★

Een fietser rijdt met een constante 25 km/h25\,\mathrm{km}/\mathrm{h} tegen een totale weerstand van 18 N18\,\mathrm{N} in. Welk vermogen levert hij? Welke arbeid verricht hij in een uur?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.7.

v=25/3.6=6.94 m/sv = 25/3.6 = 6.94\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; P=Fv=18×6.94≈125 WP = Fv = 18 \times 6.94 \approx 125\,\mathrm{W}. In een uur: W=P Δt=125×3600=450 kJW = P\,\Delta t = 125 \times 3600 = 450\,\mathrm{kJ} (of, wat hetzelfde is, 18×25 000 m18 \times 25\,000\,\mathrm{m}).

Oefening 17.8 ★★

Een skiër van 65 kg65\,\mathrm{kg} daalt 120 m120\,\mathrm{m} in hoogte, via een steile piste van 800 m800\,\mathrm{m} of via een flauw tracé van 1500 m1500\,\mathrm{m}; de wrijving op de ski’s is in beide gevallen 30 N30\,\mathrm{N}. Welke arbeid verrichten het gewicht en de wrijving op elke route? Welke arbeid trekt zich iets van de route aan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.8.

Gewicht, op beide routes: +65×9.81×120≈+76.5 kJ+65 \times 9.81 \times 120 \approx +76.5\,\mathrm{kJ} (alleen de daling telt). Wrijving: −30×800=−24 kJ-30 \times 800 = -24\,\mathrm{kJ} op de piste en −30×1500=−45 kJ-30 \times 1500 = -45\,\mathrm{kJ} op het tracé. Alleen de wrijving trekt zich iets van de route aan.

Oefening 17.9 ★★

Een doos van 20 kg20\,\mathrm{kg} wordt 4.0 m4.0\,\mathrm{m} tegen een helling van 25∘25{}^{\circ} op geduwd met constante snelheid, tegen 30 N30\,\mathrm{N} wrijving in. Bereken de arbeid van het gewicht en van de wrijving, en daarna (uit de constante snelheid) de arbeid en de grootte van de duw evenwijdig aan de helling.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.9.

Stijging h=4.0sin⁡25∘=1.69 mh = 4.0\sin25{}^{\circ} = 1.69\,\mathrm{m}: W(P→)=−20×9.81×1.69≈−332 JW(\vect P) = -20 \times 9.81 \times 1.69 \approx -332\,\mathrm{J}; Wf=−30×4.0=−120 JW_f = -30 \times 4.0 = -120\,\mathrm{J}. Bij constante snelheid is de totale arbeid nul, dus Wduw=+452 JW_{\text{duw}} = +452\,\mathrm{J} en F=452/4.0≈113 NF = 452/4.0 \approx 113\,\mathrm{N}.

Oefening 17.10 ★★

Een auto rijdt met 130 km/h130\,\mathrm{km}/\mathrm{h} terwijl zijn motor 50 kW50\,\mathrm{kW} aan de wielen levert. Tegen welke totale remmende kracht vecht hij?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.10.

v=130/3.6=36.1 m/sv = 130/3.6 = 36.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; bij constante snelheid is F=P/v=5.0×104/36.1≈1.4 kNF = P/v = 5.0 \times 10^{4}/36.1 \approx 1.4\,\mathrm{kN}.

Oefening 17.11 ★★

Een trekpaard sleept een schuit met 1.0 m/s1.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s} langs een kanaal, waarbij het touw met spankracht 800 N800\,\mathrm{N} een hoek van 20∘20{}^{\circ} met het jaagpad maakt. Bereken het vermogen van het paard, in watt en in paardenkracht. Becommentarieer.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.11.

P=Fvcos⁡θ=800×1.0×cos⁡20∘≈752 WP = Fv\cos\theta = 800 \times 1.0 \times \cos20{}^{\circ} \approx 752\,\mathrm{W}; in paardenkracht 752/736≈1.02752/736 \approx 1.02 — vrijwel precies wat een sterk paard volhoudt, de vergelijking waarop Watt zijn eenheid heeft gebouwd.

Oefening 17.12 ★★★

Een auto van 1200 kg1200\,\mathrm{kg} klimt h=300 mh = 300\,\mathrm{m} naar een bergpas, via een rechte weg met 20%20\% stijging of via een zigzagweg met 6%6\% stijging (stijging =sin⁡α= \sin\alpha). Bereken, met verwaarloosbare wrijving en bij constante snelheid, voor elke route de lengte, de benodigde kracht langs de helling, en de arbeid daarvan. Besluit in één zin.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.12.

Lengten L=h/stijgingL = h/\text{stijging}: 1500 m1500\,\mathrm{m} en 5000 m5000\,\mathrm{m}. Krachten F=mg×stijgingF = mg \times \text{stijging}: 1200×9.81×0.20≈2.35 kN1200 \times 9.81 \times 0.20 \approx 2.35\,\mathrm{kN} en 0.71 kN0.71\,\mathrm{kN}. Arbeiden FLFL: 2354×1500≈3.53 MJ2354 \times 1500 \approx 3.53\,\mathrm{MJ} en 706×5000≈3.53 MJ706 \times 5000 \approx 3.53\,\mathrm{MJ} — beide gelijk aan mghmgh: de weg ruilt kracht tegen lengte, nooit arbeid.

Oefening 17.13 ★★★

Een lier hijst 250 kg250\,\mathrm{kg} dakpannen 15 m15\,\mathrm{m} langs een steiger omhoog met een constante 0.40 m/s0.40\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Bereken de arbeid van de kracht in de kabel, de duur, het mechanische vermogen (twee keer: als W/ΔtW/\Delta t en als FvFv), en het elektrische vermogen dat bij een motorrendement van 70%70\% wordt opgenomen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.13.

F=mg=2.45×103 NF = mg = 2.45 \times 10^{3}\,\mathrm{N}; W=2453×15≈36.8 kJW = 2453 \times 15 \approx 36.8\,\mathrm{kJ}; Δt=15/0.40=37.5 s\Delta t = 15/0.40 = 37.5\,\mathrm{s}; P=36800/37.5≈981 W=2453×0.40P = 36800/37.5 \approx 981\,\mathrm{W} = 2453 \times 0.40 (FvFv klopt ermee); elektrisch: 981/0.70≈1.4 kW981/0.70 \approx 1.4\,\mathrm{kW}.

Oefening 17.14 ★★★

Een kast wordt tegen f=140 Nf = 140\,\mathrm{N} wrijving in van de ene hoek van een kamer naar de andere geschoven: recht over de diagonaal van 6.0 m6.0\,\mathrm{m}, of 3.6 m3.6\,\mathrm{m} en daarna 4.8 m4.8\,\mathrm{m} langs de wanden. Welke arbeid verricht de wrijving op elke route, en welke op een heen-en-terugreis over de diagonaal? Wat doet het gewicht op die rondreis, en welk diep verschil tussen de twee krachten legt dat bloot?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.14.

Diagonaal: −140×6.0=−840 J-140 \times 6.0 = -840\,\mathrm{J}; langs de wanden: −140×8.4≈−1.18 kJ-140 \times 8.4 \approx -1.18\,\mathrm{kJ}; heen en terug: −140×12=−1.68 kJ-140 \times 12 = -1.68\,\mathrm{kJ}. Het gewicht verricht op de rondreis nul (geen netto daling). De arbeid van de wrijving hangt van de weg af en wordt nooit teruggegeven; die van het gewicht hangt alleen van de eindpunten af (Opmerking 17.10).

Oefening 17.15 ★★★

Een fietser (80 kg80\,\mathrm{kg} met fiets) beklimt een bergpas: 600 m600\,\mathrm{m} hoogte over 12 km12\,\mathrm{km} weg, met een constante 15 km/h15\,\mathrm{km}/\mathrm{h}, tegen 14 N14\,\mathrm{N} lucht- en rolweerstand in. Bereken de arbeid tegen de zwaartekracht, tegen de wrijving, en in totaal; de duur van de klim; en het gemiddelde vermogen, in watt en in paardenkracht.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.15.

Zwaartekracht: 80×9.81×600≈471 kJ80 \times 9.81 \times 600 \approx 471\,\mathrm{kJ}; wrijving: 14×12000=168 kJ14 \times 12000 = 168\,\mathrm{kJ}; totaal 639 kJ639\,\mathrm{kJ}. v=4.17 m/sv = 4.17\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, dus Δt=12000/4.17=2880 s=48 min\Delta t = 12000/4.17 = 2880\,\mathrm{s} = 48\,\mathrm{min} en P=6.39×105/2880≈222 W≈0.30 hpP = 6.39 \times 10^{5}/2880 \approx 222\,\mathrm{W} \approx 0.30\,\mathrm{hp} — een sterke amateur, een derde paard.

17.6 Probleem: De dag van de verhuizer

Probleem 17.1

Weekendopgave — de natuurkunde betaalt per joule: een dag van schuiven, hijsen en haarspeldbochten, met als slot de ontnuchterende ontdekking van wat een waterkoker van eerlijke arbeid vindt

Een verhuisploeg leegt een loods, sleept de lading naar een woning op de derde verdieping en rijdt de wagen daarna naar een dorp op een heuvel. Elke klus wordt in joule geprijsd; de waterkoker in de keuken controleert de dag. Dozen: 30 kg30\,\mathrm{kg}.

Deel I — Over de vloer van de loods. Een doos wordt met een horizontale kracht F=110 NF = 110\,\mathrm{N} over d=8.0 md = 8.0\,\mathrm{m} geduwd; de glijdende wrijving is f=95 Nf = 95\,\mathrm{N}.

  1. Bereken de arbeid van de duw.
  2. Bereken de arbeid van de wrijving, van het gewicht en van de normaalkracht (verantwoord de nullen).
  3. Hoe groot is de totale arbeid op de doos, en wat betekent het teken ervan (de doos begon in rust)? Welke duw houdt de snelheid constant (Hoofdstuk 16)?
  4. De verste hoek is bereikbaar over de diagonaal van 10.0 m10.0\,\mathrm{m} of langs twee wanden (6.0 m6.0\,\mathrm{m} en daarna 8.0 m8.0\,\mathrm{m}). Hoeveel arbeid verricht de wrijving op elke route?
  5. Bereken op een heen-en-terugreis over de diagonaal de arbeid van de wrijving en die van het gewicht. Welke kracht geeft terug?

Deel II — Naar de derde verdieping (h=9.0 mh = 9.0\,\mathrm{m}).

  1. Bereken de arbeid van het gewicht op een doos die naar de woning wordt getild. Welke arbeid moet de ploeg minstens leveren?
  2. Draagt een verhuizer van 70 kg70\,\mathrm{kg} de doos de trap op, dan rekent de zwaartekracht voor verhuizer en doos: hoeveel arbeid tegen de zwaartekracht in totaal, en welk deel gaat er werkelijk naar de doos?
  3. Een steekwagenhelling is 30 m30\,\mathrm{m} lang voor dezelfde 9.0 m9.0\,\mathrm{m} stijging, met 40 N40\,\mathrm{N} rolwrijving. Bereken bij constante snelheid de benodigde duw langs de helling en de arbeid daarvan.
  4. Vergelijk de helling met recht verticaal hijsen: benodigde kracht en verrichte arbeid. Wat levert de helling op, en tegen welke prijs?
  5. Een takel met touw en katrol tilt de doos met 0.50 m/s0.50\,\mathrm{m}/\mathrm{s} omhoog. Hoe lang duurt dat, en hoe groot is het mechanische vermogen?
  6. Vind dat vermogen terug als P=FvP = Fv. De motor van de takel heeft een rendement van 60%60\%: welk elektrisch vermogen wordt opgenomen?

Deel III — De zigzagweg. De beladen wagen (3500 kg3500\,\mathrm{kg}) moet een dorp bereiken dat 240 m240\,\mathrm{m} boven het dal ligt: over een rechte weg van 1.0 km1.0\,\mathrm{km} met 24%24\% stijging, of over een verharde weg van 8.0 km8.0\,\mathrm{km} met 3.0%3.0\% stijging (stijging =sin⁡α= \sin\alpha).

  1. Ga na dat beide routes dezelfde 240 m240\,\mathrm{m} klimmen.
  2. Bereken bij constante snelheid en met verwaarloosbare wrijving de benodigde aandrijfkracht op elke route.
  3. Hoeveel arbeid verricht de aandrijfkracht op elke route? Vergelijk met mghmgh.
  4. De rolweerstand is op beide routes 400 N400\,\mathrm{N}: bereken de extra arbeid op elke route. Wat kost het gemak van de zigzag?
  5. Bereken bij 36 km/h36\,\mathrm{km}/\mathrm{h} het motorvermogen dat op elke route nodig is (in kW\mathrm{kW} en hp\mathrm{hp}). Waarom zigzaggen wegen?

Deel IV — Het grootboek van de dag.

  1. De ploeg schuift 6060 dozen over de vloer (met de duw uit vraag 1) en hijst alle 6060 over de 9.0 m9.0\,\mathrm{m} omhoog (vraag 6). Hoeveel mechanische arbeid is er in totaal aan de dozen geleverd?
  2. Tel het eigen lichaam van de trapdrager erbij: 2020 keer omhoog met 70 kg70\,\mathrm{kg} (de teruggave bergafwaarts komt in hete knieën terecht en niet in het grootboek). Wat is het dagtotaal?
  3. De ploeg werkte 8.08.0 uur: hoe groot is het gemiddelde mechanische vermogen? Hoe lang zou de waterkoker van 2.0 kW2.0\,\mathrm{kW} erover doen om dezelfde energie uit te geven?
  4. Slot: zeg in twee zinnen waarvoor de joule betaalt — en waarvoor niet (de muur waar je een middag lang tegen duwde, de doos die je roerloos vasthield) — en waarom verhuizers eerder lieren, hellingen en zigzagwegen bezitten dan grotere spieren.
Oplossing

Oplossing van Probleem 17.1.

1. W=110×8.0=+880 JW = 110 \times 8.0 = +880\,\mathrm{J}.

2. Wrijving: −95×8.0=−760 J-95 \times 8.0 = -760\,\mathrm{J}. Gewicht en normaalkracht staan loodrecht op de beweging: elk nul.

3. Totaal +120 J+120\,\mathrm{J}: netto drijvende arbeid, de doos wint snelheid. Een duw van 95 N95\,\mathrm{N} houdt de wrijving in evenwicht — geen resulterende kracht, constante snelheid, totale arbeid nul.

4. Diagonaal: −95×10.0=−950 J-95 \times 10.0 = -950\,\mathrm{J}; langs de wanden: −95×14.0=−1.33 kJ-95 \times 14.0 = -1.33\,\mathrm{kJ}: de wrijving rekent per meter.

5. Wrijving: −95×20.0=−1.9 kJ-95 \times 20.0 = -1.9\,\mathrm{kJ}; gewicht: 00 (geen netto daling). Alleen het gewicht geeft terug.

6. W(P→)=−30×9.81×9.0=−2.65 kJW(\vect P) = -30 \times 9.81 \times 9.0 = -2.65\,\mathrm{kJ}; de ploeg moet minstens +2.65 kJ+2.65\,\mathrm{kJ} leveren.

7. (70+30)×9.81×9.0=8.83 kJ(70 + 30) \times 9.81 \times 9.0 = 8.83\,\mathrm{kJ}; het aandeel van de doos is 2.65/8.83≈30%2.65/8.83 \approx 30\% — dragen is vooral jezelf vervoeren.

8. sin⁡α=9.0/30=0.30\sin\alpha = 9.0/30 = 0.30: F=mgsin⁡α+f=88.3+40=128 NF = mg\sin\alpha + f = 88.3 + 40 = 128\,\mathrm{N}; W=128×30=3.85 kJW = 128 \times 30 = 3.85\,\mathrm{kJ} (=2.65+1.2= 2.65 + 1.2).

9. Verticaal hijsen: F=mg=294 NF = mg = 294\,\mathrm{N}, W=2.65 kJW = 2.65\,\mathrm{kJ}. De helling levert een kleinere kracht op (128128 tegen 294 N294\,\mathrm{N}) tegen de prijs van meer arbeid: de tol van 1.2 kJ1.2\,\mathrm{kJ} aan wrijving.

10. Δt=9.0/0.50=18 s\Delta t = 9.0/0.50 = 18\,\mathrm{s}; P=2649/18≈147 WP = 2649/18 \approx 147\,\mathrm{W}.

11. P=Fv=294×0.50=147 WP = Fv = 294 \times 0.50 = 147\,\mathrm{W} — hetzelfde. Elektrisch: 147/0.60≈245 W147/0.60 \approx 245\,\mathrm{W}.

12. 1000×0.24=240 m1000 \times 0.24 = 240\,\mathrm{m} en 8000×0.030=240 m8000 \times 0.030 = 240\,\mathrm{m}: dezelfde top.

13. F=mg×stijgingF = mg \times \text{stijging}: rechte weg 3500×9.81×0.24≈8.2 kN3500 \times 9.81 \times 0.24 \approx 8.2\,\mathrm{kN}; verharde weg ≈1.0 kN\approx 1.0\,\mathrm{kN}.

14. 8240×1000≈8.24 MJ8240 \times 1000 \approx 8.24\,\mathrm{MJ} en 1030×8000≈8.24 MJ1030 \times 8000 \approx 8.24\,\mathrm{MJ} — beide gelijk aan mgh=3500×9.81×240mgh = 3500 \times 9.81 \times 240.

15. Rolweerstand: 400×1000=0.40 MJ400 \times 1000 = 0.40\,\mathrm{MJ} tegenover 400×8000=3.2 MJ400 \times 8000 = 3.2\,\mathrm{MJ}: het gemak van de flauwe weg kost 2.8 MJ2.8\,\mathrm{MJ} extra wrijving.

16. v=10 m/sv = 10\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Verharde weg: (1030+400)×10=14.3 kW≈19 hp(1030 + 400) \times 10 = 14.3\,\mathrm{kW} \approx 19\,\mathrm{hp}; rechte weg: (8240+400)×10=86.4 kW≈117 hp(8240 + 400) \times 10 = 86.4\,\mathrm{kW} \approx 117\,\mathrm{hp} — te veel voor een beladen bestelwagen. Wegen zigzaggen zodat bescheiden motoren (en banden) kunnen klimmen: dezelfde arbeid, dun uitgesmeerd.

17. Per doos: 880+2649=3.53 kJ880 + 2649 = 3.53\,\mathrm{kJ}; voor 6060 dozen 60×3529≈212 kJ60 \times 3529 \approx 212\,\mathrm{kJ}.

18. Trap: 20×70×9.81×9.0≈124 kJ20 \times 70 \times 9.81 \times 9.0 \approx 124\,\mathrm{kJ}. Dagtotaal ≈336 kJ=0.34 MJ\approx 336\,\mathrm{kJ} = 0.34\,\mathrm{MJ}.

19. P=3.36×105/28800≈12 WP = 3.36 \times 10^{5}/28800 \approx 12\,\mathrm{W}. De waterkoker: 3.36×105/2000=168 s3.36 \times 10^{5}/2000 = 168\,\mathrm{s} — geen drie minuten voor het zwoegen van een hele dag.

20. De joule betaalt voor kracht die langs een beweging wordt geleverd — en niets voor de muur waar je tegenaan duwde of de doos die je vasthield, hoe uitputtend ook (spieren verbranden chemische energie ook bij nul mechanische arbeid). Omdat een mens maar een paar tientallen watt levert, laten verhuizers machines de kracht hervormen — lier, helling, zigzag — terwijl de rekening mghmgh nooit verandert.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 431 begrippen in de begrippenlijst