Een gen is een stuk DNA dat tot een functioneel RNA wordt overgeschreven — meestal een boodschapper voor één eiwit. Een eukaryoot eiwitcoderend gen bestaat uit een promotor, de sequentie stroomopwaarts waar de transcriptie begint en wordt geregeld; exonen, de delen die in de rijpe boodschap blijven; intronen, de delen die worden overgeschreven en er daarna worden uitgeknipt (Hoofdstuk 19); de niet-vertaalde gebieden aan beide uiteinden van de boodschap; en een terminator. Een menselijk gen is gemiddeld lang met acht exonen die samen beslaan: negentien twintigste van een gebruikelijk gen is intron. Bacteriële genen hebben geen intronen.
Voorbeelden
Voorbeeld 17.9 (De grootte van een genoom lezen)
Een genoom van zonder intronen en met weinig herhalingen bevat genen; een van met lange intronen en de helft van zijn lengte aan herhalingen bevat er ; een van bevat diezelfde twintigduizend. De grootte meet hoeveel er zich in het niet-coderende DNA van een lijn heeft opgehoopt, en hoe doeltreffend dat is verwijderd, niet hoeveel het organisme doet.
Voorbeeld 17.3 (Een dicht bezet genoom)
Van de van het chromosoom van E. coli codeert voor eiwit: zo’n genen van elk ongeveer paren, kop aan staart gepakt met honderd paren ertussen, en vele gegroepeerd in operons die samen worden overgeschreven (Hoofdstuk 20). Een plasmide van kan drie genen dragen en in vijftig kopieën voorkomen; het resistentiegen dat het draagt kan zich in weken door de bacteriën van een ziekenhuisafdeling verspreiden, door conjugatie, sneller dan enige mutatie zou kunnen ontstaan.