Biologie · Begrippenlijst

Wat is Bodem?

Ook bekend als: humus

Definitie 42.1 Biologie basisschool en onderbouw · Hoofdstuk 42 — Afbrekers en de bodem

De bodem is de levende huid van de aarde: een mengsel van minerale korrels (vermalen gesteente, van zand tot klei), organische resten in elk stadium van vertering, water, lucht — en een enorme bevolking levende wezens. De donkere bovenlaag, het rijkst aan verteerde materie, is de laag humus waar tuinders zo op gesteld zijn.

Voorbeelden

Voorbeeld 42.2 (Een handvol, geteld)

Eén handvol bosgrond, uitgezocht op een wit blad: minerale korrels; worteldraden; halve bladeren, bladskeletten en zwarte kruimels — organische materie op weg naar beneden; en de telling — een regenworm, twee pissebedden, een miljoenpoot, piepkleine witte springstaarten, draadfijne schimmelvilten. En het blad laat alleen het zichtbare zien: één gram grond bevat meer levende wezens die te klein zijn om te zien dan er mensen in een grote stad wonen.

Voorbeeld 42.5 (Het laatste jaar van het blad)

Volg één eikenblad omlaag. November: gevallen, nog heel. Winter: zacht geworden, uitgegraven door schimmeldraden, tot een kanten skelet afgeknabbeld door springstaarten en pissebedden. Lente: door een regenworm ondergronds getrokken, opgegeten en als wormkruimels weer uitgescheiden. Zomer: zijn laatste stukjes zijn zwarte humus, en zijn mineralen rijden mee in het bodemwater — een wortel in, misschien wel die van de eik zelf. Vier keer opgegeten is het blad voedsel voor zijn eigen boom geworden.

Voorbeeld 42.7 (Compost, eindelijk verklaard)

De compostbak uit Voorbeeld 13.9 laat zich nu lezen als een apparaat: een werkplaats voor afbrekers, bevoorraad met schillen. Wormen, pissebedden en de onzichtbare ploegen halen het organische afval van de keuken uit elkaar tot donkere humus; de tuinder strooit die uit, en de mineralen ervan voeden de bedden (Opmerking 22.5). De hoop wordt zelfs warm — het verbranden van de afbrekers zelf (Propositie 41.6) verwarmt hun werkplaats.

Lees in het hoofdstuk →