De menselijke darm bevat ongeveer bacteriën, vrijwel alle in de dikke darm bij per gram inhoud, tegen per gram in de zure maag en – langs de dunne darm, waar de stroom snel is en de gal vijandig. Zo’n vijfhonderd tot duizend soorten per persoon, de meeste uit twee stammen, de Bacteroidetes en de Firmicutes, vrijwel alle anaeroob; de verzameling van elke persoon is eigen en jarenlang stabiel, en wordt grotendeels in de eerste drie levensjaren vastgelegd vanuit de moeder en het huishouden. Wat zij doen: de vezels die de menselijke enzymen niet kunnen verteren vergisten tot kortketenige vetzuren — acetaat, propionaat, butyraat — die de cellen van de dikke darm zelf voeden en tot een tiende van de calorieën van de gastheer leveren; vitamine K en enkele B-vitamines maken; galzuren en geneesmiddelen omzetten; elke nis bezet houden zodat een indringer geen voet aan de grond krijgt (de kolonisatieweerstand); en het afweersysteem scholen, waarvan de regulerende T-cellen en IgA-uitscheidende cellen zich op hen ontwikkelen (Hoofdstuk 16). Een gemeenschap die van die toestand is afgeweken — minder soorten, minder vergisters, meer facultatieve aerobe bacteriën — is een dysbiose, gezien bij chronische darmontsteking, na antibiotica en bij obesitas, al is meestal onduidelijk wat oorzaak is en wat gevolg.