Bloed is een weefsel in suspensie: ongeveer bij een volwassene, van de lichaamsmassa. Gecentrifugeerd scheidt het zich in plasma (: water, eiwitten — albumine, globulinen, fibrinogeen — en de zouten, suikers, lipiden, gassen en hormonen die het vervoert) en cellen (, de hematocriet): rode bloedcellen ( per liter, schijfjes van met twee holle kanten en zonder kern, elk volgepakt met miljoen hemoglobinemoleculen, met een levensduur van 120 dagen en in het beenmerg gemaakt met twee miljoen per seconde), witte bloedcellen ( per liter: neutrofielen, lymfocyten, monocyten, eosinofielen, basofielen, de beweeglijke arm van de immuniteit) en bloedplaatjes ( per liter, fragmenten van beenmergcellen die wonden dichten en de stolling op gang brengen). De rode bloedcellen vervoeren zuurstof — per liter bloed bij volledige verzadiging, zeventig keer wat water oplost — en het plasma vervoert al het andere, waaronder de van het dat niet in de cellen zit, de warmte van de spieren naar de huid, en de hormonen van Hoofdstuk 19 naar hun doelen. Bloed is ook een oplossing onder oncotische druk: zijn eiwitten, die de haarvaten niet kunnen verlaten, oefenen een osmotische trek van ongeveer uit, en die trek houdt het plasma in de vaten.