Het bloed verlaat het hart via slagaders: dikwandige buizen met elastische lagen die bij elke slag uitrekken en tussen de slagen terugveren, waardoor de pulsen tot een gelijkmatiger stroom worden afgevlakt (de aorta is breed). Ze vertakken zich tot arteriolen, vaten van een tiende millimeter of minder waarvan de wand vooral uit glad spierweefsel bestaat: door samen te trekken of te ontspannen verandert een arteriole haar straal en daarmee, sterk, haar weerstand — arteriolen zijn de kranen van de bloedsomloop en de plaats van het grootste deel van de drukval. Ze monden uit in haarvaten: buisjes van één endotheelcel rond een lumen van , ongeveer lang, zo’n veertig miljard in getal met een totaal oppervlak van bijna , door de wand waarvan alle uitwisseling plaatsvindt. Haarvaten monden uit in venulen en aders: dunwandig, rekbaar, met twee derde van het bloed onder lage druk, en met kleppen die de stroming naar het hart gericht houden terwijl spieren ze samendrukken. Elk vat is bekleed met één laag endotheel, dat geen passieve bekleding is maar een klier — het geeft stikstofmonoxide af om de arteriole te ontspannen, en signalen die witte bloedcellen rekruteren — en een filter.
Voorbeelden
Voorbeeld 16.10 (De bloedsomloop als vervoerssysteem)
Vijf liter per minuut door haarvatwand is een bezorgdienst zonder weerga. Hij brengt elke cel zuurstof tot op enkele celdiameters (geen enkele cel van het lichaam ligt verder dan van een haarvat), voert haar , lactaat en ureum af, brengt de glucose van de lever naar de hersenen en de vetzuren van de vetvoorraden naar de spieren, verdeelt de hormonen van Hoofdstuk 19 in een minuut van één klier naar elke receptor in het lichaam, vervoert de warmte van de kern naar de huid en terug, en brengt de witte bloedcellen binnen enkele uren naar een wond. Het is ook de kwetsbaarheid: een stolsel, een bloeding of een falende pomp legt alles tegelijk stil, en de hersenen, die geen brandstof opslaan, vallen binnen seconden uit. De rest van dit deel van het boek gaat over de pomp (Hoofdstuk 17) en over hoe de druk wordt geregeld, zodat de dienst doorgaat bij het opstaan, bij het hardlopen en bij een bloeding (Hoofdstuk 18).