Een fossiel is een bewaard spoor van leven uit het verleden — een schelp, een bot, een bladafdruk, een voetafdruk — ingesloten in sedimentgesteente. Gesteentelagen stapelen zich in de volgorde van de tijd, de oudste onderop; naar boven lezen is geschiedenis lezen. Fossielen zijn de resten uit de inventaris van Definitie 37.1, miljoenen jaren bewaard.
Voorbeelden
Voorbeeld 67.3 (De walvisreeks)
Het dossier van de walvis, door gesteenten gevuld: opeenvolgende fossielen lopen, op volgorde van tijd, van een viervoetig kustzoogdier zo groot als een wolf, via vormen met krimpende poten en sterker wordende staarten, naar pootloze volledige zwemmers — terwijl de walvis van vandaag nog steeds kleine verborgen heup- en pootbeenderen bouwt (Voorbeeld 44.3 wees op de overblijfselen), nog steeds zoogt, lucht ademt en als foetus haar laat groeien. Voorspelling, fossielen, overblijfselen: drie sleutels, één slot.