Een parasiet leeft ten koste van een gastheer, erop (ectoparasiet: teek, luis, maretak) of erin (endoparasiet: lintworm, malariaparasiet, roestschimmel), en neemt voedingsstoffen weg en verlaagt zijn fitness zonder hem noodzakelijk te doden; parasieten zijn vaak gespecialiseerd, met ingewikkelde levenscycli door verscheidene gastheren. Een symbiose is elke nauwe, blijvende verbintenis tussen twee soorten; een mutualisme is er een waar beide baat bij hebben: de mycorrhiza (een schimmel op of in plantenwortels, die fosfaat en water tegen suiker ruilt; Hoofdstuk 23), het wortelknolletje (stikstofbindende bacteriën die door de vlinderbloemige worden gevoed), het korstmos (een schimmel die een alg of een cyanobacterie huisvest), het rifkoraal (een neteldier dat fotosynthetische dinoflagellaten huisvest), de darmflora van een herkauwer of een termiet (Hoofdstuk 22), en de bestuiving (nectar tegen stuifmeeltransport). Veel mutualismen begonnen als parasitisme of predatie die de coëvolutie van de partners tot wederzijds voordeel omboog, en zij blijven voorwaardelijk: een mycorrhizaschimmel in een fosfaatrijke bodem is een kostenpost, en de plant bouwt haar af.
Voorbeelden
Voorbeeld 27.11 (Bestuiving als ruilhandel)
Een bloem besteedt enkele joules suiker aan nectar; een bij besteedt vluchten om die te halen en draagt onderweg stuifmeel van bloem naar bloem. De kleur, de geur, de vorm en de timing van de bloem zijn aan haar bestuivers gericht, en de tonglengte, het kleurenzien en het foerageergeheugen van de bij aan haar bloemen; sommige paren passen zo nauw op elkaar — een lange nectarspoor en de ene nachtvlinder wier tong erin reikt — dat geen van beide zonder de ander overleeft, en een hele plantengemeenschap van enkele insectensoorten kan afhangen.