Universitaire biologie — jaar 1 · Bachelor Year 1
23Water- en mineralenvoorziening van planten
Een maïsplant onttrekt in juli een liter water per dag aan een bodem die voor de hand droog aanvoelt, en daarmee de dertig milligram stikstof, als nitraat, die zij nodig heeft om een dag groei op te bouwen. Zij heeft geen pomp. Het water komt binnen omdat de wortel droger is dan de bodem, in de precieze zin van Hoofdstuk 7; het nitraat komt binnen omdat de wortelcellen er ATP aan besteden; en beide moeten één enkele laag cellen passeren waarvan de wanden met was zijn afgedicht voordat zij het xyleem bereiken. Dit hoofdstuk beschrijft de wortel als opnemend orgaan, de waterpotentialen die water van bodem naar xyleem drijven, de mineralen die een plant nodig heeft en hoe zij die opneemt, het bijzondere geval van stikstof, en de schimmels en bacteriën die de meeste wortels inschakelen om een deel van het werk te doen.
23.1 De wortel als opnemend orgaan
Definitie 23.1 (Apoplast, symplast en endodermis)
Water en opgeloste stoffen doorkruisen de wortelschors langs twee wegen: de apoplast, het aaneengesloten stelsel van celwanden en holten tussen de cellen, waardoor zij zich verplaatsen zonder enig membraan te passeren; en de symplast, het aaneengesloten cytoplasma van de cellen die door plasmodesmata zijn verbonden (Hoofdstuk 6), dat wordt betreden door één plasmamembraan te passeren. Aan de binnengrens van de schors versperd de endodermis (Hoofdstuk 3) de apoplast: een band van suberine en lignine, de band van Caspary, doordrenkt haar radiale wanden, zodat alles wat de centrale cilinder binnenkomt door het membraan van een endodermiscel moet. De transporteiwitten van dat membraan bepalen dus wat het xyleem bereikt, en verhinderen dat wat in het xyleem is geladen weer weglekt.
Propositie 23.2 (Worteldruk)
De endodermis en de cellen daarbinnen pompen ionen het xyleem in, wat de waterpotentiaal van het xyleem verlaagt en er osmotisch water uit de schors in trekt; wanneer de spruit weinig verdampt (’s nachts, in vochtige lucht), hoopt het water zich op en wordt het xyleemsap omhoog geduwd onder een positieve worteldruk van enkele tienden van een megapascal — genoeg om bij kleine planten druppels uit de bladtoppen te persen (guttatie) en om door lucht geblokkeerde vaten opnieuw te vullen, maar niet genoeg om sap tot in de top van een boom te tillen. Overdag neemt de zuigkracht van de transpiratie (Hoofdstuk 24) het over en verdwijnt de worteldruk.
Bewijsmateriaal. Een stengel die vlak boven de grond wordt doorgesneden laat uren lang sap uit zijn stomp lopen, en een manometer op die stomp meet een druk van ; het uitgetreden sap is rijker aan ionen dan de bodemoplossing, en de stroom stopt wanneer de wortels worden gekoeld of met een remmer van de ademhaling worden vergiftigd: de stroom wordt door actieve ionenlading gedreven, niet door enige waterpomp. ∎
23.2 Water: van bodem naar xyleem
Propositie 23.3 (De ladder van waterpotentialen)
Water beweegt van bodem naar xyleem omdat de waterpotentiaal (Hoofdstuk 7) bij elke stap daalt:
| compartiment | () |
|---|---|
| vochtige bodem | tot |
| bodem op het verwelkingspunt | |
| cel van de wortelschors | tot |
| xyleem van de wortel | tot |
| bladcellen | tot |
| lucht bij relatieve vochtigheid |
De potentiaal van de bodem wordt vooral bepaald door de spanning waarmee haar poriën water vasthouden (capillariteit); die van de cellen door hun opgeloste stoffen en hun turgor; die van het xyleem door de spanning van de verdampende kolom; die van de lucht door haar vochtigheid, , wat zelfs in vochtige lucht enorm is. De verreweg steilste stap is de laatste, van blad naar lucht: daar wordt vrijwel de hele drijvende kracht besteed, en daarom regelen planten haar met huidmondjes.
Methode 23.4 (Een profiel van waterpotentialen lezen)
- Zet de compartimenten op volgorde met hun ; water stroomt alleen van hoger naar lager, dus de reeks moet langs de weg dalen, anders keert de stroom om.
- Splits de van elke cel in (opgeloste stoffen, negatief) en (turgor, positief); een wortelcel bij met heeft . Xyleemwater heeft en een negatieve : het staat onder spanning.
- De stroom over een stap is het verschil in maal de hydraulische geleiding van de barrière; de endodermis en de huidmondjes zijn de twee stappen met een lage geleiding waar de plant regelt.
- Droogt de bodem uit, dan daalt haar ; bereikt die de waarde van het blad, dan stopt de stroom en verwelkt de plant; bereikt de van de bladcellen nul, dan hangt het blad. Herstel vraagt een verandering van de bodem, niet van de plant.
Voorbeeld 23.5 (Een liter per dag)
De fijne wortels van een maïsplant bieden zo’n oppervlak met een hydraulische geleiding van ongeveer ; tussen een bodem op en een wortelxyleem op is de flux — anderhalve liter per dag, die allemaal via de bladeren verloren gaat. De wortel verricht er geen arbeid voor: de transpiratie van het blad zet de spanning, en de bodem levert het water zolang haar potentiaal boven die van de wortel blijft.
23.3 Minerale voeding
Definitie 23.6 (Essentiële elementen)
Een element is essentieel voor een plant als de plant haar levenscyclus er niet zonder kan voltooien en geen ander element het kan vervangen. Het zijn er zeventien: koolstof, waterstof en zuurstof uit lucht en water; de macronutriënten die per kilogram droge massa in grammen uit de bodem worden gehaald — stikstof (als nitraat of ammonium), fosfor (fosfaat), kalium, calcium, magnesium, zwavel (sulfaat); en de micronutriënten die in milligrammen of minder nodig zijn — ijzer, mangaan, zink, koper, boor, molybdeen, chloor, nikkel. Stikstof bouwt eiwitten en nucleïnezuren; fosfor de nucleotiden en de membranen; kalium is het belangrijkste kation van de cel en het osmotisch middel van de huidmondjes; magnesium zit in de chlorofyl; ijzer in de cytochromen en in ferredoxine; molybdeen in nitraatreductase en nitrogenase.
Propositie 23.7 (Hoe de lijst is opgesteld)
De essentiële elementen zijn gevonden door planten te kweken in water dat alleen bekende zouten bevatte.
Bewijsmateriaal. Sachs en Knop (jaren 1860) kweekten planten tot volwassenheid op oplossingen van enkele minerale zouten, geheel zonder bodem, en bewezen daarmee dat de bodem niets anders levert dan mineralen en steun; door telkens één zout weg te laten kreeg elk element een kenmerkende ziekte, die genas zodra het weer werd toegevoegd. De micronutriënten werden later gevonden, naarmate scheikundigen de zouten zuiverder kregen: een plant die molybdeen mist, nodig in een deel op tien miljoen, reduceert geen nitraat. De techniek, hydrocultuur, voedt nu kassen. ∎
Methode 23.8 (Een gebrek lezen)
- Vraag waar het verschijnsel optreedt. Elementen die de plant in het floëem kan verplaatsen (N, P, K, Mg) worden aan oude bladeren onttrokken om de jonge te voeden: de oude bladeren tonen het gebrek eerst. Elementen die zij niet kan verplaatsen (Ca, Fe, B) blijven achter waar zij zijn neergelegd: de jonge bladeren en de groeitoppen tonen het.
- Vraag wat het element doet: geen stikstof, weinig chlorofyl en eiwit — bleek en achtergebleven; geen magnesium of ijzer, dan faalt de chlorofyl — gele bladeren met groene nerven; geen kalium, dan verschroeien de bladranden; geen calcium, dan sterven de groeitoppen.
- Bevestig het door alleen het verdachte element toe te dienen en de nieuwe groei te bekijken.
Propositie 23.9 (Actieve opname van ionen)
De bodemoplossing bevat ionen in micromollen tot enkele millimollen per liter; de wortelcellen houden kalium op , fosfaat op , nitraat op enkele. De opname gaat dus meestal bergopwaarts en wordt met ATP betaald, maar indirect: een protonpomp in het plasmamembraan (Hoofdstuk 7) voert uit, waardoor de buitenkant zuur wordt en de binnenkant negatief; kationen als komen dan door kanalen langs de elektrische gradiënt binnen, en anionen (, , ) via symporters die op de terugkerende protonen meeliften. De transporteiwitten zijn selectief: kalium wordt honderd keer gemakkelijker opgenomen dan natrium van dezelfde lading en vrijwel dezelfde grootte, en de plant houdt natrium zelfs in zoute bodem buiten. Wortels besteden een derde van de ademhaling van de plant aan dit transport.
23.4 Stikstof
Propositie 23.10 (Van nitraat tot aminozuur)
De meeste planten nemen stikstof op als nitraat. In het cytosol reduceert nitraatreductase, een molybdeenenzym, het tot nitriet met elektronen van NADH; in de plastide reduceert nitrietreductase het nitriet tot ammonium met elektronen van ferredoxine; en ammonium wordt onmiddellijk vastgelegd in glutamine en glutamaat (Hoofdstuk 16) — ammonium zelf is giftig en hoopt zich nooit op. De hele reductie kost acht elektronen per stikstofatoom, een tiende van de fotosynthetische elektronenstroom van een blad op een nitraatrijke bodem, en een blad doet er veel van in het licht, rechtstreeks uit de ferredoxine van de chloroplast. Ammonium wordt, waar de bodem het biedt, rechtstreeks opgenomen en slaat die kosten over.
Definitie 23.11 (Stikstofbinding en wortelknolletjes)
Geen enkele eukaryoot kan de van de lucht gebruiken. Sommige bacteriën wel: nitrogenase verbreekt de drievoudige binding van en reduceert die tot twee ammoniak, tegen zestien ATP en acht elektronen per molecuul, en alleen waar zuurstof is uitgesloten. Vlinderbloemigen (erwten, bonen, klaver) huisvesten zulke bacteriën (Rhizobium) in wortelknolletjes: de plant bouwt een kamer, voedt de bacteriën met suiker, en houdt de zuurstof laag met een rood eiwit, leghemoglobine, dat haar aan de ademhaling van de bacteriën aflevert bij een concentratie die te laag is om het enzym te schaden; de bacteriën geven ammonium terug, dat de plant tot aminozuren omzet. Een klaverveld bindt honderd kilogram stikstof per hectare per jaar, waarvoor de plant een tiende van haar fotosynthese betaalt. De stikstofkringloop als geheel hoort in het deel van jaar 2.
Voorbeeld 23.12 (De prijs van stikstof)
Een maïsplant heeft ongeveer stikstof per dag nodig; uit nitraat op haalt zij dat uit de liter water die zij verdampt, en zij besteedt enkele honderden millimollen elektronen aan de reductie ervan. Een klaverplant die dezelfde hoeveelheid bindt betaalt ATP per plus het reductiemiddel — ruwweg suiker per gram stikstof, zo’n per dag, een tiende van haar productie — en kan groeien op een bodem zonder enig nitraat. Boeren wisselen al tweeduizend jaar vlinderbloemigen met granen af om die stikstof van de ene akker naar de volgende te brengen.
23.5 Partners in de bodem
Definitie 23.13 (Mycorrhiza)
Een mycorrhiza is een verbond tussen een wortel en een schimmel, dat bij negen van de tien planten voorkomt. In de gewoonste vorm groeien de hyfen van de schimmel de schorscellen in en vertakken zich daarbinnen tot arbusculen, het uitwisselingsoppervlak, terwijl buiten de wortel een net van hyfen van enkele micrometers dik de bodem meters ver verkent. De schimmel levert fosfaat en andere weinig beweeglijke ionen, en water, die de wortelharen zelf niet konden bereiken; de plant levert suiker, een tiende of meer van haar fotosynthese. Bomen van gematigde bossen dragen een tweede vorm, waarbij de schimmel de worteltoppen omhult en zich tussen de cellen door vlecht; haar vruchtlichamen zijn de paddenstoelen van de bosbodem.
Bewijsmateriaal. Zaailingen die op gesteriliseerde bodem worden gekweekt groeien slecht en nemen weinig fosfaat op; geënt met sporen van de schimmel worden zij enkele malen groter. Radioactief fosfaat dat buiten het bereik van de wortels in de bodem wordt gelegd verschijnt alleen in de plant als hyfen de twee verbinden, en gemerkte koolstof die aan de bladeren wordt gevoerd verschijnt binnen een dag in de hyfen. Het doorsnijden van de hyfen met een fijn gaas dat opgeloste stoffen maar geen schimmels doorlaat heft de winst op. ∎
Voorbeeld 23.14 (Waarom fosfaat een schimmel nodig heeft)
Fosfaat hecht zich aan bodemdeeltjes en diffundeert een millimeter per dag; een wortelhaar neemt binnen enkele uren al het fosfaat op dat het kan bereiken en wacht dan. Hyfen die tien keer dunner zijn dan een wortelhaar reiken per gram weefsel tien keer verder, en een meter hyfe kost de plant een duizendste van wat een meter wortel kost. Voor nitraat, dat vrij met het bodemwater meebeweegt, volstaan de eigen wortelharen, en planten op nitraatrijke bodems bouwen hun schimmel af; voor fosfaat is de schimmel het verlengstuk van de wortel.
23.6 Opgaven
Oefening 23.1 ★
Omschrijf apoplast en symplast, en zeg wat de band van Caspary doet.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.1.
Apoplast: de aaneengesloten wanden en holten, doorkruist zonder een membraan te passeren. Symplast: het verbonden cytoplasma van de cellen, dat door één membraan wordt betreden en via plasmodesmata wordt voortgezet. De band van Caspary verspert de apoplast bij de endodermis, zodat alles door een membraan moet en er niets uit het xyleem terug kan lekken.
Oefening 23.2 ★
Noem de zes macronutriënten die een plant uit de bodem haalt en van elk één rol.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.2.
N (eiwitten, nucleïnezuren), P (nucleotiden, membranen), K (osmotisch middel, huidmondjes), Ca (wanden, signalering), Mg (chlorofyl), S (de aminozuren cysteïne en methionine).
Oefening 23.3 ★
Lees uit de figuur van de waterpotentialen de af in de bodem, het wortelxyleem en de bladcel, en geef bij elke stap de stroomrichting.
Oefening 23.4 ★
Waarom worden een stikstofgebrek en een ijzergebrek op verschillende bladeren zichtbaar?
Oefening 23.5 ★★
Een cel van de wortelschors heeft en ; de bodem staat op , het xyleem op . Toon aan dat water van bodem naar cel naar xyleem stroomt, en bereken de van de cel waarbij zij uit deze bodem geen water meer zou opnemen.
Oefening 23.6 ★★
Bereken de waterpotentiaal van lucht bij , en relatieve vochtigheid bij (). Vergelijk met de bodem op het verwelkingspunt en becommentarieer dat.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.6.
: , , . Zelfs vochtige lucht is in deze zin tien keer droger dan een bodem op het verwelkingspunt: een blad verliest altijd water aan de lucht; de enige vraag is hoe snel.
Oefening 23.7 ★★
Een wortelcel op neemt op van tot . Bereken de nernstpotentiaal voor deze verhouding bij en zeg of kanalen alleen dat kunnen. Herhaal dat voor nitraat bij buiten en binnen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.7.
: bij is de cel iets minder negatief dan nodig, dus een duizendvoudige ophoping vraagt iets meer dan kanalen — maar een verhouding van 100 zou in evenwicht zijn: kanalen doen bijna alles. Nitraat: ; de cel staat op , daarvandaan en in de verkeerde richting: een anion moet naar binnen worden gepompt, door protonsymport.
Oefening 23.8 ★★
Leg uit waarom guttatie bij dageraad op gras te zien is maar nooit op een hoge boom, en wat er met de worteldruk gebeurt zodra de transpiratie begint.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.8.
’s Nachts, zonder transpiratie, trekt het laden van ionen in het xyleem water aan en duwt een worteldruk van enkele tienden van een megapascal het sap hoogstens enkele meters omhoog — genoeg om de toppen van grassprieten te bereiken en er druppels uit te persen, niet om de top van een boom te bereiken. Zodra de huidmondjes opengaan, zet de transpiratie het xyleem onder spanning en verdwijnt de worteldruk.
Oefening 23.9 ★★
Een plant wordt overgezet in een oplossing zonder molybdeen. Voorspel haar groei op nitraat en op ammonium, en verklaar het verschil.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.9.
Zonder molybdeen werkt nitraatreductase niet: op nitraat kan de plant geen aminozuren maken en vertoont zij een stikstofgebrek hoewel er nitraat in overvloed is. Op ammonium groeit zij normaal, omdat ammonium zonder reductie in de aminozuren terechtkomt. Het verschil legt het element in één enzym vast.
Oefening 23.10 ★★★
Bereken de elektronen die per dag nodig zijn om nitraatstikstof tot ammonium te reduceren, en het aantal NADPH-equivalenten; vergelijk dat met de elektronen die een maïsblad van per dag door zijn fotosystemen beweegt bij per vierkante meter per seconde (4 elektronen per , ).
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.10.
N ; elektronen, NADPH-equivalenten. Blad: , elektronen: de nitraatreductie vraagt op deze telling half zoveel elektronen als de koolstofvastlegging — een groot deel, en daarom doen planten het in het licht en zijn snelgroeiende bladeren grootverbruikers van reductiemiddel.
Oefening 23.11 ★★★
Een klaver bindt stikstof per dag bij ATP en elektronen per , en suiker per gram stikstof in totaal. Bereken de ATP die nitrogenase alleen al besteedt, de suiker die dat zou kosten (30 ATP per glucose), en welk deel van de dat is. Waar gaat de rest heen?
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.11.
N : ATP , dat wil zeggen glucose, ; plus 8 elektronen per (nog eens glucose). De regel van geeft per dag: nitrogenase zelf is er het meeste van, en de rest is het bouwen en onderhouden van de knolletjes, hun leghemoglobine, en de eigen ademhaling van de bacteriën om de zuurstof laag te houden.
Oefening 23.12 ★★★
“Een wortel is een mijnbouwbedrijf dat aannemers inhuurt.” Bespreek dat in een alinea: wat de wortel zelf doet (water, beweeglijke ionen), wat hij uitbesteedt (fosfaat, gebonden stikstof), wat hij betaalt, en wanneer hij stopt met betalen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 23.12.
De wortel neemt zelf het water en de beweeglijke ionen (nitraat, kalium) op die het bodemwater tot bij zijn haren brengt, en besteedt alleen ATP aan de protonpomp. Voor fosfaat, dat niet naar hem toe komt, betaalt hij een schimmel in suiker om zijn bereik te verlengen; voor stikstof in een bodem zonder nitraat betaalt hij bacteriën in suiker om die te binden. Het honorarium is een tiende of meer van zijn fotosynthese, en de plant stopt met betalen zodra de dienst niet nodig is: op fosfaatrijke bodem worden de mycorrhiza’s afgebouwd, op nitraatrijke bodem maken vlinderbloemigen minder knolletjes — aannemers blijven alleen zolang zij goedkoper zijn dan het werk zelf doen.
23.7 Vraagstuk: de waterpotentiaalladder van een maïswortel
Probleem 23.1
Weekendvraagstuk — water en nitraat uit een julibodem een maïsplant in: de potentialen bij elke stap, de flux door de wortels, de stikstof die zij aanvoert en de kosten van de reductie ervan, eindigend op de dagelijkse waterflux de wortel in
Een maïsplant in juli: oppervlak van de fijne wortels , hydraulische geleiding van de wortel ; bladoppervlak . Waterpotentiaal van de bodem ; cellen van de wortelschors met en ; wortelxyleem ; bladcellen ; lucht bij relatieve vochtigheid (). Nitraat in de bodem ; de plant heeft stikstof per dag nodig. De reductie van nitraat tot ammonium gebruikt 8 elektronen per stikstofatoom; de fotosynthese beweegt 4 elektronen per en het blad legt per vierkante meter per seconde vast gedurende .
Deel I — De ladder.
- Bereken de waterpotentiaal van de cellen van de wortelschors.
- Schrijf de reeks bodem, schors, xyleem, blad op en controleer dat het water bij elke stap naar binnen en naar boven stroomt.
- Bereken de waterpotentiaal van de lucht.
- Bereken de val van bodem naar blad en de val van blad naar lucht; welk deel van het geheel is de laatste stap?
- De bodem droogt uit tot . Wat gebeurt er met de stroom naar de schorscellen, en met hun turgor?
- De bodem droogt uit tot . Wat gebeurt er met de bladeren, en waarom herstelt water geven hen?
Deel II — De flux.
- Bereken de waterflux de wortels in (geleiding oppervlak het verschil tussen bodem en wortelxyleem).
- Zet die om in liters per dag.
- Alles gaat door transpiratie verloren. Bereken de transpiratie per vierkante meter blad per uur, in grammen.
- Druk de transpiratie per vierkante meter blad per seconde uit in millimol water ().
- De huidmondjes sluiten zich midden op de dag en de van het blad stijgt tot terwijl die van het xyleem tot stijgt. Bereken de flux opnieuw. Wat heeft de plant gedaan, en waarom?
- Waarom neemt de wortel water op zonder energie te besteden, terwijl hij voor de opname van nitraat energie moet besteden?
Deel III — Stikstof.
- Bereken het nitraat dat door de waterflux van vraag 8 de wortel wordt binnengedragen, in millimol en in milligram stikstof.
- Dekt dat de behoefte van de plant? Wat gebeurt er met het overschot?
- De wortel hoopt nitraat op tot in zijn cellen. Bereken de vrije energie om één mol van buiten naar binnen te brengen tegen een membraanpotentiaal van in (; een anion dat een negatieve cel binnengaat).
- De opname is een symport met twee protonen. Bereken de vrije energie die twee protonen vrijmaken wanneer zij bij een cel binnengaan van pH 5,5 naar pH 7,5, en ga na dat die volstaat.
- Bereken de elektronen die per dag nodig zijn om de stikstof tot ammonium te reduceren.
- Bereken de elektronen die het blad per dag door zijn fotosystemen beweegt, en het deel dat naar nitraat wordt afgeleid.
Deel IV — Alternatieven.
- Als de bodem ammonium in plaats van nitraat zou bieden, wat zou de plant dan besparen, en welk probleem zou de opname van ammonium voor haar pH-balans opleveren?
- Een klaver bindt dezelfde stikstof per dag. Bereken met ATP en elektronen per de ATP die nitrogenase per dag besteedt.
- Bereken bij suiker per gram gebonden stikstof de dagelijkse kosten van de klaver in suiker en vergelijk die met een productie van suiker per dag. Is de ruil de moeite waard in een bodem met nitraat? En in een bodem zonder?
- Fosfaat staat op in de bodemoplossing. Bereken het fosfaat dat de waterflux van vraag 8 aanvoert, en vergelijk dat met een behoefte van fosfor per dag (). Waarop moet de plant steunen?
- Leg in twee zinnen uit hoe de band van Caspary de wortel in staat stelt nitraat op in zijn xyleem te houden terwijl de bodem op staat.
- Een mutant mist de band van Caspary. Voorspel de samenstelling van zijn xyleemsap en zijn gedrag in zoute bodem.
- Geef het resultaat: de waterflux de maïswortel in per dag, de stikstof die zij aanvoert, en het deel van de elektronen van het blad dat aan de reductie ervan wordt besteed.
Oplossing
Oplossing van Probleem 23.1.
1. . 2. : elke stap lager, het water beweegt bodem schors xyleem blad. 3. . 4. Bodem naar blad ; blad naar lucht : van het geheel is de laatste stap. 5. Een bodem op ligt onder de van de schorscellen: er verlaat water de cellen tot zij op komen, dat wil zeggen tot hun turgor tot nul daalt; de opname stopt tot de cellen hun verlagen door opgeloste stoffen op te hopen. 6. De bodem ligt nu onder de van de bladeren: er stroomt water uit de plant; de bladeren verliezen hun turgor en verwelken. Water geven tilt de van de bodem boven die van de wortel en de stroom hervat zich; de bladeren, waarvan de wanden ongeschonden waren, vullen zich weer. 7. . 8. per dag. 9. over en daglicht (het meeste ervan): ongeveer per vierkante meter per uur. 10. per vierkante meter per uur, per vierkante meter per seconde — duizend watermoleculen voor elke die bij wordt vastgelegd. 11. Verschil : de flux is gehalveerd, per dag. Het sluiten van de huidmondjes heeft het verlies gesnoeid, de spanning is verslapt, en de hele ladder is gestegen: de plant ruilt koolstofwinst voor water wanneer de lucht het droogst is. 12. Water beweegt langs zijn eigen potentiaalgradiënt, die door de verdamping van het blad wordt gemaakt, zodat de wortel lijdelijk is; nitraat moet tegen zowel een concentratie- als een elektrische gradiënt in worden geconcentreerd, wat alleen de koppeling aan de protonpomp kan betalen. 13. , stikstof. 14. Ja, met een derde over; het overschot wordt als nitraat in de vacuolen opgeslagen of bij de endodermis buitengehouden. 15. . 16. Per proton: ; twee protonen: , drie keer wat er nodig is. 17. elektronen. 18. , elektronen: naar nitraat. 19. Het zou de 8 elektronen per stikstofatoom besparen; maar het opnemen van een kation en het uitstoten van een proton per stuk verzuurt de bodem rond de wortel en de cel moet zuur uitvoeren, en ammonium is giftig als het zich ophoopt, zodat het meteen in de wortel moet worden geassimileerd. 20. ATP. 21. suiker, van . Met nitraat beschikbaar voor de kosten van de reductie ervan ( van de elektronen) is binding een slechte ruil en maakt een vlinderbloemige weinig knolletjes; zonder nitraat is het de enige weg, en is van de productie goedkoop voor het volledige eiwit van de plant. 22. , fosfor — een veertigste van de behoefte; de plant moet steunen op de diffusie naar haar wortelharen, die hun omgeving spoedig uitputten, en vooral op haar mycorrhizaschimmel. 23. De band verspert de apoplast, zodat nitraat het xyleem alleen kan bereiken door membranen van de endodermis die het naar binnen pompen; en hij verhindert dat het geconcentreerde xyleemsap langs de wanden terug weglekt, zodat de gradiënt behouden blijft. 24. Zijn xyleemsap zou op de bodemoplossing lijken — verdund, ongeselecteerd, met natrium en andere ongewenste ionen — en kon niet geconcentreerd worden gehouden; in zoute bodem zou natrium vrij de bladeren bereiken en zou de plant vergiftigd raken, waar een normale plant het bij de endodermis buitenhoudt. 25. Ongeveer water per dag door wortel, dat stikstof aanvoert tegen een behoefte van , waarvan de reductie ongeveer van de fotosynthetische elektronen van het blad vraagt.