De commutator van twee operatoren is . De operatoren commuteren als hun commutator nul is.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.6 (De canonieke commutator)
Voor elke functie is en . Het verschil is , dus : positie en impuls commuteren niet. Deze ene betrekking ligt ten grondslag aan het onzekerheidsprincipe en, verderop, aan het volledige spectrum van de harmonische oscillator.