Wiskunde · Begrippenlijst

Wat is Kans?

Definitie 71.5 Wiskunde basisschool en onderbouw · Hoofdstuk 71 — Statistiek en kansrekening

Een kansproef heeft verschillende mogelijke uitkomsten; een gebeurtenis is een verzameling uitkomsten. Elke uitkomst krijgt een kans: een getal tussen 00 en 11, waarbij alle kansen van de uitkomsten samen 11 zijn; de kans P(A)\P(A) van een gebeurtenis AA is de som van de kansen van haar uitkomsten. Zijn alle nn uitkomsten even waarschijnlijk, dan is

P(A)=aantal gunstige uitkomstenn.\P(A) = \frac{\text{aantal gunstige uitkomsten}}{n}.

Voorbeelden

Voorbeeld 71.6

Een rad is in 88 gelijke sectoren verdeeld: 33 rode, 33 blauwe, 22 groene. Elke sector heeft kans 18\frac18, dus is

P(rood)=38,P(groen)=28=14,P(niet groen)=114=34.\P(\text{rood}) = \frac38, \qquad \P(\text{groen}) = \frac28 = \frac14, \qquad \P(\text{niet groen}) = 1 - \frac14 = \frac34 .

Voorbeeld 71.9

Een zak bevat 22 rode en 33 zwarte schijfjes. Trek één schijfje, noteer zijn kleur, leg het terug en trek opnieuw. Elke trekking geeft rood met kans 25\frac25 en zwart met kans 35\frac35.

De boom van de twee trekkingen met teruglegging: vermenigvuldig langs de takken, en ga na dat de vier paden samen 1 geven.
De boom van de twee trekkingen met teruglegging: vermenigvuldig langs de takken, en ga na dat de vier paden samen 11 geven.

Kans op twee schijfjes van dezelfde kleur: 425+925=1325\frac{4}{25} + \frac{9}{25} = \frac{13}{25}. Kans op minstens één rood: 1P(ZZ)=1925=16251 - \P(\text{ZZ}) = 1 - \frac{9}{25} = \frac{16}{25}.

Lees in het hoofdstuk →