Een getal schrijf je met de cijfers . Van rechts naar links zijn de plaatsen: eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen. In :
Voorbeelden
Voorbeeld 14.2 (De nul die een plaats bezet houdt)
“Vierduizend zeven” schrijf je als : een bij de duizendtallen, een bij de eenheden, en nullen ertussen om elk cijfer op zijn juiste plaats te houden. Zonder die nullen zou een heel ander getal zijn!
Voorbeeld 14.3 (Wisselen)
Tien eenheden maken één tiental; tien tientallen maken één honderdtal; tien honderdtallen maken één duizendtal. Dus honderdtallen , en tientallen : het getal bevat tientallen (niet alleen het cijfer !).