Een tekentabel noteert, met één rij per factor, het teken ( of ) van elke factor van een uitdrukking terwijl heel doorloopt, met een bij elke waarde waar de factor verdwijnt; een laatste rij geeft het teken van het product, kolom per kolom volgens de tekenregel.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.16
Het teken van . De factor verdwijnt in en is daarna positief; de factor verdwijnt in en is daarvóór positief:
Dus is precies op , en op .
Voorbeeld 2.18
Los op. De teller verdwijnt in , de noemer in (verboden waarde). Het quotiënt is negatief wanneer beide een tegengesteld teken hebben, en dat gebeurt voor tussen en . De grens waar de teller verdwijnt telt mee, de verboden waarde niet: de oplossingsverzameling is .