Het bouwplan van een groep organismen is de gemeenschappelijke rangschikking van hun delen: de symmetrieassen en de onderlinge plaats van de belangrijkste organen, los van grootte, vorm of levenswijze. De gewervelden — vissen, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren — delen één plan: een lichaam dat symmetrisch is ten opzichte van een verticaal vlak, met een voorkant die de kop draagt en een achterkant; een inwendig skelet waarvan de as een reeks wervels is die een rugzijdige zenuwstreng beschermt; de spijsverteringsbuis die aan de buikzijde loopt, met de mond vooraan, en het hart daaronder.
Voorbeelden
Voorbeeld 6.2 (Hetzelfde plan, andere dieren)
Een forel, een kikker, een hagedis, een duif en een muis die naast elkaar worden ontleed, tonen het plan telkens opnieuw: het ruggenmerg in de rug, beschermd door wervels; de darm eronder met een lever naast de maag; het hart vooraan, onder de darm; gepaarde ledematen (of vinnen) die aan botgordels vastzitten. De verschillen — kieuwen of longen, vinnen of poten, schubben, veren of vacht — zijn allemaal variaties op dezelfde rangschikking.
Voorbeeld 6.8 (Cytochroom c)
Cytochroom c is een eiwit van ongeveer 104 aminozuren dat elke eukaryoot bij de ademhaling gebruikt. Vergeleken met de menselijke volgorde verschilt die van de chimpansee op 0 plaatsen, die van de muis op 9, die van de kip op 13, die van de kikker op 18, die van de tonijn op 21 en die van gist op 45. Naar aantal verschillen geordend vallen de soorten precies in de kaders van de vorige figuur: zoogdier, dan amniot, dan viervoeter, dan gewervelde, dan eukaryoot.