Mensentanden bestaan in drie soorten, elk met een eigen taak:
- de snijtanden, plat en scherp vooraan, snijden — ze snijden in de appel;
- de hoektanden, puntig, in de hoeken, scheuren — ze grijpen taaier voedsel vast en trekken eraan;
- de kiezen, breed en met knobbels achterin, vermalen — ze pletten het voedsel tot een brij die klaar is om door te slikken.
Voorbeelden
Voorbeeld 12.2 (Eén hap appel, drie gereedschappen)
Een stuk appel eten gebruikt de hele gereedschapskist op volgorde: de snijtanden snijden de hap eraf, de hoektanden helpen hem lostrekken, en de tong schuift hem naar achteren naar de kiezen, die hem vermalen. Pas daarna slik je.
Voorbeeld 12.5 (De wiebelende snijtand)
Een voortand begint precies te wiebelen op de leeftijd waarop kinderen naar school gaan. Eronder is in alle stilte een blijvende snijtand gegroeid, die de wortel van de melktand heeft opgelost, tot het kleine tandje loslaat. Het gat is geen ongelukje — het is een wisseling.