Een element is essentieel voor een plant als de plant haar levenscyclus er niet zonder kan voltooien en geen ander element het kan vervangen. Het zijn er zeventien: koolstof, waterstof en zuurstof uit lucht en water; de macronutriënten die per kilogram droge massa in grammen uit de bodem worden gehaald — stikstof (als nitraat of ammonium), fosfor (fosfaat), kalium, calcium, magnesium, zwavel (sulfaat); en de micronutriënten die in milligrammen of minder nodig zijn — ijzer, mangaan, zink, koper, boor, molybdeen, chloor, nikkel. Stikstof bouwt eiwitten en nucleïnezuren; fosfor de nucleotiden en de membranen; kalium is het belangrijkste kation van de cel en het osmotisch middel van de huidmondjes; magnesium zit in de chlorofyl; ijzer in de cytochromen en in ferredoxine; molybdeen in nitraatreductase en nitrogenase.