Een gewerveld dier is een dier met een inwendig skelet dat om een ruggengraat heen gebouwd is — zoals de wervelkolom die je in Voorbeeld 17.2 voelde. Een dier zonder ruggengraat is een ongewerveld dier: insecten, spinnen, slakken, wormen, kwallen — de overgrote meerderheid van alle dieren.
Voorbeelden
Voorbeeld 21.2 (De adressen van de kat)
Eén kat, meerdere geneste adressen: de kat is een zoogdier (vacht, melk voor de jongen); elk zoogdier is een gewerveld dier (een skelet met een ruggengraat vanbinnen); elk gewerveld dier is een dier. Kat binnen de zoogdieren, zoogdieren binnen de gewervelde dieren, gewervelde dieren binnen de dieren: elke doos zit in een grotere.
Voorbeeld 21.5 (Een dierentuinlevering sorteren)
Er komen zes kratten aan: een python (droge schubbige huid, eieren met een schaal — reptiel), een pad (vochtige kale huid — amfibie), een pinguïn (veren — vogel), een haai (vinnen en kieuwen — vis), een dolfijn (melk voor haar kalf — zoogdier), en een krat reuzenslakken (helemaal geen ruggengraat — ongewervelden, in geen enkele klasse van de gewervelden).
Voorbeeld 21.9 (Er komt een nieuwe soort aan)
Natuuronderzoekers ontdekken nog steeds dieren die nooit eerder gezien zijn. Als er een nieuw vleermuisachtig dier met vacht en melk gevonden wordt, gaat het meteen bij de zoogdieren — en direct verwachten biologen een ruggengraat, een hart met vier kamers en warm bloed, nog voordat iets daarvan gecontroleerd is. De classificatie keert voorspellingen uit.