Elk orgaan van de plant is opgebouwd uit drie weefselstelsels. Het huidweefsel is de epidermis, één cellaag die het orgaan bedekt, in de lucht bekleed met een wasachtige cuticula en doorboord door huidmondjes, en in de wortel verlengd door wortelharen. Het grondweefsel vult het orgaan: parenchym (levende cellen met dunne wanden, voor fotosynthese en opslag), collenchym (levende cellen met ongelijkmatig verdikte wanden, de buigzame steun van jonge stengels) en sclerenchym (cellen met dikke verhoute wanden, dood bij rijpheid, de stijve steun: vezels en steencellen). Het vaatweefsel geleidt: het xyleem voert water en mineralen omhoog door de holle, verhoute, dode tracheïden en vaten (Hoofdstuk 24); het floëem voert suikers door levende zeefvaten die door hun begeleidende cellen in leven worden gehouden.
Voorbeelden
Voorbeeld 3.6 (Waar de uitwisselingen plaatsvinden)
Koolstofdioxide komt een blad binnen via de huidmondjes, doorkruist de luchtholten van de sponslaag en lost op in de vochtige wanden van de palissadecellen; water komt aan in het xyleem van de nerven en vertrekt, als damp, via diezelfde huidmondjes. Water en ionen komen de wortel binnen via de wortelharen en doorkruisen de schors naar het xyleem in het midden. Beide organen leggen hun uitwisselingsoppervlak aan de buitenkant en hun geleidende weefsel in het midden.