Micro-organismen — microben — zijn levende wezens die te klein zijn om met het blote oog te zien. De belangrijkste soorten:
- bacteriën: eencelligen zonder echte celkern, veel kleiner dan jouw cellen, die snel delen (de wereld van Definitie 45.4) — overal, in ontelbare aantallen;
- eencellige schimmels en andere: gisten (Voorbeeld 43.5), de sporen van schimmels, de zwemmers uit de druppel slootwater;
- virussen: nog kleiner, en van een andere aard — een verpakt snippertje genetische tekst (de letters van Definitie 65.4) in een jas, zonder cel en zonder eigen leven: een virus doet niets tot het een levende cel binnengaat en de leesmachinerie van die cel aan het kopiëren van de tekst van de indringer zet. Op de tekenen van Propositie 1.3 zitten virussen op de uiterste rand van het leven.
Voorbeelden
Voorbeeld 69.3 (Eén lichaam, drie verhoudingen)
Op je huid, op dit moment: bewoners bij de miljard, die het oppervlak houden (verhouding één: bondgenootschap). In je yoghurt bij het ontbijt: werknemers, die op bevel verzuren (verhouding twee: dienstverband, Voorbeeld 43.6). Op de roestige spijker in het schuurtje: sporen van de tetanusbacterie, wachtend op een diepe snee (verhouding drie: de minderheid van de ziekteverwekkers, en de reden voor Hoofdstuk 70 en de tetanusprik).
Voorbeeld 69.5 (Twee indringers, tegenover elkaar)
De bacterie van de snee tegenover het verkoudheidsvirus van de winter. De bacterie: gaat de bres binnen, vermeerdert zich tussen de cellen in het warme natte weefsel, en haar afvalstoffen vergiftigen de buurt — het kloppen en de pus van een ontstoken vinger. Het virus: rijdt op een druppeltje naar de bekleding van de luchtweg, gaat de bekledingscellen zelf binnen, en elke gekaapte cel laat een menigte kopieën los voordat ze bezwijkt — de rauwe keel en de lopende neus van zijn spoor. Andere mechaniek; het antibioticum dat de eerste uithongert kan de tweede niet raken, want de tweede leent jouw machinerie, en medicijnen ertegen zijn moeilijk te richten.