Biologie · Begrippenlijst

Wat is Monosacharide?

Ook bekend als: koolhydraat · aldose · ketose

Definitie 10.1 Universitaire biologie — jaar 1 · Hoofdstuk 10 — Koolhydraten

Koolhydraten zijn moleculen met de samenstelling (CH2O)n(\mathrm{CH_2O})_n en hun afgeleiden. Een monosacharide (enkelvoudige suiker) is een keten van drie tot zeven koolstoffen, waarvan er één een carbonylgroep draagt en de andere hydroxylgroepen: een aldose wanneer de carbonylgroep aan het uiteinde zit (een aldehyde: glucose, galactose, ribose), een ketose wanneer zij binnenin zit (een keton: fructose). Naar lengte: triosen (n=3n = 3: glyceraldehyde), pentosen (n=5n = 5: ribose, deoxyribose), hexosen (n=6n = 6: glucose, fructose, galactose). Elke koolstof met vier verschillende groepen is een chiraal centrum, zodat elke formule voor verscheidene stereo-isomeren staat: glucose heeft vier chirale koolstoffen en zestien isomeren, waarvan levende wezens er één gebruiken, D-glucose. Epimeren verschillen in maar één koolstof (glucose en galactose in C4).

De twee anomeren van D-glucose in haworthprojectie: de ring van opzij gezien met haar dikke rand naar de lezer toe, en de hydroxylgroep van de anomere koolstof 1 onder () of boven () het vlak. Zij gaan via het aldehyde met de open keten in elkaar over.
De twee anomeren van D-glucose in haworthprojectie: de ring van opzij gezien met haar dikke rand naar de lezer toe, en de hydroxylgroep van de anomere koolstof 1 onder (α\alpha) of boven (β\beta) het vlak. Zij gaan via het aldehyde met de open keten in elkaar over.

Voorbeelden

Voorbeeld 10.4 (Suikers die geen (CH2O)n(\mathrm{CH_2O})_n zijn)

Deoxyribose mist de hydroxylgroep op C2 (Hoofdstuk 11); glucosamine en N-acetylglucosamine dragen een amine in plaats van de C2-hydroxylgroep (chitine, peptidoglycaan); glucuronzuur heeft een carboxylgroep op C6 (de matrixpolysachariden); suikerfosfaten (glucose-6-fosfaat, ribose-5-fosfaat) zijn de vormen waarin suikers de stofwisseling binnenkomen; suikeralcoholen (glycerol, sorbitol) hebben geen carbonylgroep. De kern is dezelfde: een kleine, met hydroxylgroepen bezette koolstofketen waar water dol op is.

Voorbeeld 10.15 (De suiker van een dag)

Een mens eet zo’n 300g300\,\mathrm{g} koolhydraat per dag, vrijwel alles als zetmeel en sucrose; de darm hydrolyseert dat tot glucose, fructose en galactose, de lever zet de laatste twee om in glucose, en er circuleert 5g5\,\mathrm{g} glucose in het hele bloed — de aanvoer voor twintig minuten voor de hersenen, die 120g120\,\mathrm{g} per dag opnemen en die voortdurend uit het glycogeen van de lever worden bijgevuld. De ooglens, de rode cellen en het niermerg leven van glucose alleen; niets anders in de voeding kan haar vervangen, en wanneer zij opraakt maakt de lever haar uit eiwit.

Lees in het hoofdstuk →