De stofwisseling van een cel is het geheel van alle chemische reacties die zich in haar afspelen: die welke moleculen afbreken om energie vrij te maken, en die welke de eigen moleculen van de cel uit eenvoudiger bouwen. Elke reactie van de stofwisseling wordt aangedreven door een enzym, een eiwit dat één bepaalde reactie versnelt zonder daarbij te worden verbruikt.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.3 (Eén enzym aan het werk)
Giet waterstofperoxide op een stukje rauwe lever of aardappel: het schuimt hevig op terwijl er zuurstof vrijkomt. Het enzym catalase, dat in bijna elke cel voorkomt, splitst het giftige peroxide in water en zuurstof met een snelheid van miljoenen moleculen per seconde per enzymmolecuul. Kook de lever eerst en er gebeurt niets: het enzym, een eiwit, is door de hitte vernield. Peroxide op een steen schuimt niet en laat zien dat de reactie niet vanzelf verloopt.
Voorbeeld 4.6 (Euglena, allebei tegelijk)
De eencellige Euglena heeft bladgroenkorrels en zwemt met een zweepstaart. In het licht groeit zij in mineraalwater: autotroof. In het donker overleeft zij alleen als er organische moleculen aan het water worden toegevoegd, die zij opneemt: heterotroof. Blijft zij lang in het donker, dan verliest zij haar bladgroenkorrels; terug in het licht maakt zij die na enkele dagen geduld opnieuw aan. Haar stofwisseling hangt af van haar genen, die beide mogelijkheden toelaten, en van haar omgeving, die er één uitkiest.
Voorbeeld 4.9 (Gist met en zonder lucht)
Gist waar lucht doorheen wordt geblazen, gebruikt glucose spaarzaam en groeit snel: zij ademt. Dezelfde gist in een afgesloten vat gebruikt glucose gulzig, groeit weinig en maakt ethanol: zij vergist. Pasteur, die dit in 1861 beschreef, noemde de gisting "leven zonder lucht"; de cellen schakelen hun stofwisseling om naar de route die hun omgeving toelaat, en omdat de gisting zo weinig energie per glucose oplevert, moeten zij veel meer suiker doorwerken om te leven.