De elektronenaffiniteit van een element is de energie die vrijkomt wanneer een geïsoleerd atoom in zijn grondtoestand in de gasfase een elektron opneemt,
Ze is positief wanneer het anion stabieler is dan het atoom met het vrije elektron.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.14 (De halogenen en hun buren)
De elektronenaffiniteiten van , , en zijn 3.40, 3.61, 3.36 en , de grootste van alle elementen; die van en zijn 1.44 en , die van , die van . Atomen die door een elektron op te nemen een subschil voltooien (de halogenen), maken veel energie vrij. Stikstof, beryllium, magnesium en de edelgassen vormen geen stabiel anion in de gasfase: het extra elektron zou moeten paren in een half gevulde p-subschil of in een nieuwe subschil terechtkomen. De affiniteit van fluor is kleiner dan die van chloor, omdat het toegevoegde elektron in de kleine 2p-schil wordt samengeperst.