Een groep is hydrofiel wanneer hij gunstig wisselwerkt met water (ionaire of polaire groepen: , , ) en hydrofoob wanneer dat niet zo is (koolwaterstofketens). Een molecuul is amfifiel wanneer het zowel een hydrofiele kop als een hydrofobe staart draagt.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.17 (Zeep)
Natriumdodecanoaat, , is amfifiel. Aan het wateroppervlak staan de moleculen met de kop in het water en de staart in de lucht. In het inwendige van het water, boven een kleine concentratie, groeperen ze zich tot bolletjes — micellen — met de staarten binnenin en de koppen buiten. Vet, dat apolair is, lost op in de hydrofobe kern van de micellen en wordt door het water afgevoerd.