Twee vloeistoffen zijn mengbaar wanneer ze in alle verhoudingen mengen tot één enkele vloeibare fase; anders vormen ze twee lagen, met de minst dichte bovenaan.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.15 (Water met ethanol, water met hexaan)
Ethanol is mengbaar met water: beide zijn protisch en polair, en ethanol vormt waterstofbruggen met water net zo goed als met zichzelf. Hexaan en water zijn niet mengbaar. Dijood, een moleculaire vaste stof, is nauwelijks oplosbaar in water maar lost gemakkelijk op in hexaan of dichloormethaan: geschud met zo’n oplosmiddel gaat het jood uit de waterige oplossing over naar de organische laag, het principe van de vloeistof-vloeistofextractie (Hoofdstuk 29).