Papierchromatografie scheidt de kleurstoffen van een mengsel. Je zet een kleine stip van het mengsel op een lijn die vlak boven de onderkant van een strook papier getekend is; de onderkant van de strook staat in een oplosmiddel, dat langzaam in het papier omhoogkruipt en elke kleurstof meeneemt, de ene sneller dan de andere. Als het oplosmiddel bijna bovenaan is, haal je de strook eruit en laat je haar drogen: dat is het chromatogram.
Voorbeelden
Voorbeeld 10.9 (De kleurstoffen van snoepjes)
Het gekleurde laagje van snoepjes wordt in een beetje water afgeschraapt en op een strook gestipt, naast stippen van de voedingskleurstoffen die in snoep zijn toegestaan. Het chromatogram laat zien dat het groene laagje een gele en een blauwe kleurstof bevat, die allebei bij de toegestane kleurstoffen horen.