Een spectroscopische term is de verzameling van de (2L+1)(2S+1) toestanden van een configuratie met gegeven L en S. Zijn spinmultipliciteit is 2S+1. Het termsymbool is 2S+1L, met de letters S, P, D, F, G, H voor L=0,1,2,3,4,5; een toestand met gegeven J wordt geschreven als 2S+1LJ — bijvoorbeeld 3P2.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.15 (De termen van p2)
Twee elektronen in p (ml=1,0,−1) geven (26)=15 determinanten. Hun tabel naar ML en MS is:
| MS=1 | MS=0 | MS=−1 |
|---|
| ML=2 | – | (1+,1−) | – |
| ML=1 | (1+,0+) | (1+,0−), (1−,0+) | (1−,0−) |
| ML=0 | (1+,−1+) | (1+,−1−), (1−,−1+), (0+,0−) | (1−,−1−) |
| ML=−1 | (0+,−1+) | (0+,−1−), (0−,−1+) | (0−,−1−) |
| ML=−2 | – | (−1+,−1−) | – |
(met ml± voor ms=±21). ML=2 komt alleen voor met MS=0: een term 1D (5 toestanden). De grootste resterende ML=1 komt voor met MS=1: een term 3P (9 toestanden). Er blijft één toestand over met ML=MS=0: een term 1S. Inderdaad is 5+9+1=15.
Voorbeeld 2.16 (Koolstof, gemeten)
De grondtoestandsconfiguratie 2p2 van koolstof geeft de niveaus 3P0, 3P1, 3P2 bij 0, 16.4 en 43.4cm−1, dan 1D2 bij 10193cm−1 en 1S0 bij 21648cm−1: de term 3P ligt het laagst, zoals de regels van Hund voorspellen.