In een rechthoekige driehoek geldt voor een scherpe hoek :
— de rechthoekszijde die aan raakt, gedeeld door de schuine zijde. Deze verhouding hangt alleen van de hoek af, niet van de grootte van de driehoek: alle rechthoekige driehoeken met dezelfde scherpe hoek zijn vergrotingen van elkaar, en vergrotingen behouden verhoudingen van lengten (Hoofdstuk 59 begon dit verhaal; Hoofdstuk 68 maakt het af).