Zij en gebeurtenissen.
- (“ en ”) doet zich voor wanneer beide zich voordoen;
- (“ of ”) doet zich voor wanneer minstens één zich voordoet;
- het complement (“niet ”) doet zich precies voor wanneer zich niet voordoet;
- en heten onverenigbaar wanneer ze zich niet samen kunnen voordoen: .
Voorbeelden
Voorbeeld 9.7
Trek één kaart uit een standaardspel van kaarten. Zij : “de kaart is een harten” ( kaarten) en : “de kaart is een heer” ( kaarten). Dan is “hartenheer” ( kaart), en
De complementregel is vaak de snelste weg: de kans dat de kaart geen harten is, is .
Voorbeeld 9.9
Een urne bevat rode en blauwe ballen. Trek één bal, leg hem terug en trek opnieuw. Elke trekking geeft rood (R) met kans en blauw (B) met kans .
De kans om twee ballen van dezelfde kleur te krijgen is ; de kans op minstens één blauwe is (complementregel).