Wiskunde · Begrippenlijst

Wat is Kansverdeling?

Ook bekend als: kans

Definitie 9.2 Wiskunde bovenbouw · Hoofdstuk 9 — Kansrekening en steekproeven

Door aan elke uitkomst ωi\omega_i een getal pi0p_i \geq 0 toe te kennen met p1++pn=1p_1 + \dots + p_n = 1, leg je een kans vast: de kans P(A)\P(A) van een gebeurtenis AA is de som van de pip_i van de uitkomsten in AA. In het bijzonder is P(Ω)=1\P(\Omega) = 1, en heeft de onmogelijke gebeurtenis \varnothing kans 00.

Voorbeelden

Voorbeeld 9.4

Gooi met een eerlijke dobbelsteen: Ω={1,2,3,4,5,6}\Omega = \{1, 2, 3, 4, 5, 6\}, waarbij elke uitkomst kans 16\frac16 heeft. De gebeurtenis AA: “het resultaat is even” is A={2,4,6}A = \{2, 4, 6\}, dus P(A)=36=12\P(A) = \frac36 = \frac12. De gebeurtenis BB: “het resultaat is minstens 55” is B={5,6}B = \{5, 6\}, dus P(B)=26=13\P(B) = \frac26 = \frac13.

Voorbeeld 9.7

Trek één kaart uit een standaardspel van 5252 kaarten. Zij AA: “de kaart is een harten” (1313 kaarten) en BB: “de kaart is een heer” (44 kaarten). Dan is ABA \cap B “hartenheer” (11 kaart), en

P(AB)=1352+452152=1652=413.\P(A \cup B) = \frac{13}{52} + \frac{4}{52} - \frac{1}{52} = \frac{16}{52} = \frac{4}{13}.

De complementregel is vaak de snelste weg: de kans dat de kaart geen harten is, is 11352=341 - \frac{13}{52} = \frac34.

Voorbeeld 9.9

Een urne bevat 33 rode en 22 blauwe ballen. Trek één bal, leg hem terug en trek opnieuw. Elke trekking geeft rood (R) met kans 35\frac35 en blauw (B) met kans 25\frac25.

Het boomdiagram van twee trekkingen met teruglegging. De vier padkansen tellen op tot 1.
Het boomdiagram van twee trekkingen met teruglegging. De vier padkansen tellen op tot 11.

De kans om twee ballen van dezelfde kleur te krijgen is P(RR)+P(BB)=925+425=1325\P(\text{RR}) + \P(\text{BB}) = \frac{9}{25} + \frac{4}{25} = \frac{13}{25}; de kans op minstens één blauwe is 1P(RR)=1925=16251 - \P(\text{RR}) = 1 - \frac{9}{25} = \frac{16}{25} (complementregel).

Lees in het hoofdstuk →