De Fouriercoëfficiënten van f zijn
cn(f)=2π1∫−ππf(t)e−intdt(n∈Z),
en de coëfficiënten in reële vorm zijn an=cn+c−n, bn=i(cn−c−n), zodat de Fourierpartiaalsommen gegeven worden door
SN(f)(t)=n=−N∑Ncn(f)eint=2a0+n=1∑N(ancosnt+bnsinnt).
Definieer op C het hermitische inproduct ⟨f,g⟩=2π1∫−ππfg: de exponentiëlen en(t)=eint zijn orthonormaal (⟨em,en⟩=δmn, rechtstreekse berekening), en cn(f)=⟨en,f⟩: Fourieranalyse is hermitische meetkunde (Hoofdstuk 13) in oneindige dimensie.
Voorbeelden
Voorbeeld 14.3 (Beste benadering, gemeten)
Hoe goed benaderen trigonometrische veeltermen van lage graad de zaagtand f(t)=t (op (−π,π)) in kwadratisch gemiddelde? Volgens Propositie 14.2 is de beste benadering van graad N juist SN(f), met kwadratische fout
∥f−SNf∥22=∥f∥22−∣n∣≤N∑∣cn∣2.
Hier is ∥f∥22=2π1∫−ππt2dt=3π2, en uit bn=n2(−1)n+1 (Voorbeeld 14.12) volgt ∣cn∣2+∣c−n∣2=2bn2=n22. Dus
∥f−SNf∥22=3π2−n=1∑Nn22: numeriek 1.29, 0.79, 0.57, 0.44
voor N=1,2,3,4 — dalend, maar traag: de staart ∑n>Nn22∼N2 wordt bestuurd door het trage verval n1 van de coëfficiënten, dat zelf het handschrift van de sprong is (Oefening 14.6 achterstevoren gelezen). Het inzicht om te onthouden: Parseval maakt van de kwaliteit van een benadering de staart van een numerieke reeks — en voorspelt, nog vóór enige tekening, dat sprongen Fourierreeksen met tegenzin doen convergeren.