Wiskunde · Begrippenlijst

Wat is Grenzen, sup en inf?

Ook bekend als: bovengrens

Definitie 10.1 Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Hoofdstuk 10 — Reële getallen

Zij ARA \subseteq \R niet-leeg. Een reëel getal MM is een bovengrens van AA wanneer aMa \leq M voor alle aAa \in A; AA heet naar boven begrensd wanneer ze een bovengrens heeft (analoog naar onderen, met ondergrenzen; begrensd betekent allebei). Een maximum van AA is een bovengrens die tot AA behoort.

Het supremum supA\sup A is de kleinste bovengrens van AA, wanneer die bestaat; het infimum infA\inf A is de grootste ondergrens.

De verzameling A = \1 - 1n : n ∈ ℕ*\ op de getallenrechte: haar punten hopen zich op naar 1 zonder het te bereiken. Elk getal ≥ 1 is een bovengrens (de halfrechte), en niets kleiners is dat, omdat er telkens een element van A het interval (1 - , 1) binnendringt: de twee clausules van  in één plaatje. Het supremum is het linkeruiteinde van de halfrechte van bovengrenzen — en het volledigheidsaxioma is juist de waarborg dat die halfrechte altijd een linkeruiteinde heeft.
De verzameling A={11n:nN}A = \{1 - \frac1n : n \in \N^*\} op de getallenrechte: haar punten hopen zich op naar 11 zonder het te bereiken. Elk getal 1\geq 1 is een bovengrens (de halfrechte), en niets kleiners is dat, omdat er telkens een element van AA het interval (1ε,1)\intoo{1 - \varepsilon}{1} binnendringt: de twee clausules van Propositie 10.4 in één plaatje. Het supremum is het linkeruiteinde van de halfrechte van bovengrenzen — en het volledigheidsaxioma is juist de waarborg dat die halfrechte altijd een linkeruiteinde heeft.

Voorbeelden

Voorbeeld 10.5

sup(0,1)=1\sup \intoo{0}{1} = 1, niet bereikt (geen maximum); sup[0,1]=1=max\sup \intcc{0}{1} = 1 = \max. Voor A={11n:nN}A = \{1 - \frac 1n : n \in \N^*\} is supA=1\sup A = 1, niet bereikt, en infA=minA=0\inf A = \min A = 0. Een maximum is, zodra het bestaat, het supremum; de hele bestaansreden van sup\sup is een plaatsvervanger te hebben wanneer het maximum niet bestaat.

Voorbeeld 10.6 (Suprema in de praktijk berekenen)

Twee volledige oefeningen op Propositie 10.4.

De verzameling A={x+1x:x>0}A = \{x + \frac1x : x > 0\}. Voor elke x>0x > 0 is x+1x2=(x1/x)210x + \frac1x - 2 = \frac{(\,\sqrt x - 1/\sqrt x\,)^2}{1} \geq 0, dus is 22 een ondergrens; en 2=1+11A2 = 1 + \frac11 \in A: bijgevolg is infA=minA=2\inf A = \min A = 2, bereikt in x=1x = 1. Naar boven is AA onbegrensd (x+1x>xx + \frac1x > x kan elke MM overtreffen wegens Stelling 10.10): supA\sup A bestaat niet in R\R (het is ++\infty in R\overline\R).

De verzameling B={mm+n:m,nN}B = \bigl\{\frac{m}{m + n} : m, n \in \N^*\bigr\}. Elk element ligt in (0,1)\intoo{0}{1}, dus zijn 00 en 11 grenzen. Geen van beide wordt bereikt: mm+n=1\frac{m}{m+n} = 1 zou n=0n = 0 afdwingen. Voor het supremum leg je n=1n = 1 vast en laat je mm groeien: mm+1=11m+1>1ε\frac{m}{m+1} = 1 - \frac{1}{m+1} > 1 - \varepsilon zodra m+1>1εm + 1 > \frac1\varepsilon (Archimedes): supB=1\sup B = 1. Symmetrisch (m=1m = 1, nn groot) is infB=0\inf B = 0. Het inzicht tot slot: om een supremum vast te pinnen volstaat één goedgekozen pad met één parameter binnen de verzameling — hier het pad n=1n = 1 — en de ε\varepsilon-karakterisering vraagt niets meer.

Voorbeeld 10.7 (De spiegel van het infimum)

Het infimum heeft zijn eigen ε\varepsilon-karakterisering, verkregen uit Propositie 10.4 via infA=sup(A)\inf A = -\sup(-A): i=infAi = \inf A precies wanneer ii de verzameling AA naar onderen begrenst en er voor elke ε>0\varepsilon > 0 een aAa \in A is met a<i+εa < i + \varepsilon. Een oefening met beide grenzen tegelijk: zij

A={(1)n+1n:nN}={0, 32, 23, 54, 45, }.A = \Bigl\{(-1)^n + \frac1n : n \in \N^*\Bigr\} = \Bigl\{0,\ \tfrac32,\ -\tfrac23,\ \tfrac54,\ -\tfrac45,\ \dots\Bigr\} .

Even indices geven 1+1n321 + \frac1n \leq \frac32, met gelijkheid in n=2n = 2: omdat ook de waarden bij oneven index 0<32\leq 0 < \frac32 zijn, is supA=maxA=32\sup A = \max A = \frac32. Oneven indices geven 1+1n>1-1 + \frac1n > -1, dalend naar 1-1: elk element van AA is >1> -1, en 1+ε-1 + \varepsilon wordt verslagen door 1+1n-1 + \frac1n voor oneven n>1εn > \frac1\varepsilon: infA=1\inf A = -1, niet bereikt. Eén verzameling, met alle vier de gedragingen in beeld: een supremum dat een maximum is, en een infimum dat geen minimum is.

Lees in het hoofdstuk →