Mathematics · Boek 3 · Bachelor Year 1

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Bachelor Year 1

10Reële getallen

De hele analyse rust op één eigenschap die R\R van Q\Q onderscheidt: elke niet-lege verzameling die naar boven begrensd is, heeft een kleinste bovengrens. Dit hoofdstuk formuleert die eigenschap precies, leidt haar eerste gevolgen af — de archimedische eigenschap, de vloerfunctie, de dichtheid van de rationale en van de irrationale getallen — en zet het vocabulaire op (sup, inf, max, min) dat vanaf Hoofdstuk 11 voortdurend gebruikt wordt.

10.1 De eigenschap van de bovengrens

Definitie 10.1 (Grenzen, sup en inf)

Zij ARA \subseteq \R niet-leeg. Een reëel getal MM is een bovengrens van AA wanneer aMa \leq M voor alle aAa \in A; AA heet naar boven begrensd wanneer ze een bovengrens heeft (analoog naar onderen, met ondergrenzen; begrensd betekent allebei). Een maximum van AA is een bovengrens die tot AA behoort.

Het supremum supA\sup A is de kleinste bovengrens van AA, wanneer die bestaat; het infimum infA\inf A is de grootste ondergrens.

Stelling 10.2 (Volledigheidsaxioma van R\R)

R\R is een geordend lichaam dat Q\Q bevat en waarin elke niet-lege naar boven begrensde deelverzameling een supremum heeft.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Opmerking 10.3

We nemen dit als het definiërende axioma van R\R; een model bouwen (met sneden van Dedekind of met Cauchyrijen van rationale getallen) en de uniciteit ervan bewijzen is eerlijk maar lang, en blijft voor verdere studie. Merk op dat Q\Q de eigenschap mist: {xQ:x2<2}\{x \in \Q : x^2 < 2\} is naar boven begrensd maar heeft geen kleinste bovengrens in Q\Q — de kandidaat, 2\sqrt 2, ontbreekt (Voorbeeld 1.11). Door naar tegengestelden over te gaan (sup(A)=infA\sup(-A) = -\inf A) heeft elke niet-lege naar onderen begrensde verzameling een infimum.

Propositie 10.4 (De ε\varepsilon-karakterisering)

Zij AA \neq \emptyset naar boven begrensd en sRs \in \R. Dan is s=supAs = \sup A dan en slechts dan als

  1. ss een bovengrens is: aA\forall a \in A, asa \leq s; en
  2. niets kleiners dat is: ε>0\forall \varepsilon > 0, aA\exists a \in A, a>sεa > s - \varepsilon.

Bewijs. Is s=supAs = \sup A, dan geldt (1) per definitie, en voor (2): sε<ss - \varepsilon < s is geen bovengrens, en dat is precies het bestaan van een a>sεa > s - \varepsilon. Omgekeerd zegt (1) dat ss een bovengrens is, en (2) dat geen t<st < s een bovengrens is (neem ε=st\varepsilon = s - t): ss is de kleinste.

Voorbeeld 10.5

sup(0,1)=1\sup \intoo{0}{1} = 1, niet bereikt (geen maximum); sup[0,1]=1=max\sup \intcc{0}{1} = 1 = \max. Voor A={11n:nN}A = \{1 - \frac 1n : n \in \N^*\} is supA=1\sup A = 1, niet bereikt, en infA=minA=0\inf A = \min A = 0. Een maximum is, zodra het bestaat, het supremum; de hele bestaansreden van sup\sup is een plaatsvervanger te hebben wanneer het maximum niet bestaat.

De verzameling A = \1 - 1n : n ∈ ℕ*\ op de getallenrechte: haar punten hopen zich op naar 1 zonder het te bereiken. Elk getal ≥ 1 is een bovengrens (de halfrechte), en niets kleiners is dat, omdat er telkens een element van A het interval (1 - , 1) binnendringt: de twee clausules van  in één plaatje. Het supremum is het linkeruiteinde van de halfrechte van bovengrenzen — en het volledigheidsaxioma is juist de waarborg dat die halfrechte altijd een linkeruiteinde heeft.
De verzameling A={11n:nN}A = \{1 - \frac1n : n \in \N^*\} op de getallenrechte: haar punten hopen zich op naar 11 zonder het te bereiken. Elk getal 1\geq 1 is een bovengrens (de halfrechte), en niets kleiners is dat, omdat er telkens een element van AA het interval (1ε,1)\intoo{1 - \varepsilon}{1} binnendringt: de twee clausules van Propositie 10.4 in één plaatje. Het supremum is het linkeruiteinde van de halfrechte van bovengrenzen — en het volledigheidsaxioma is juist de waarborg dat die halfrechte altijd een linkeruiteinde heeft.

Voorbeeld 10.6 (Suprema in de praktijk berekenen)

Twee volledige oefeningen op Propositie 10.4.

De verzameling A={x+1x:x>0}A = \{x + \frac1x : x > 0\}. Voor elke x>0x > 0 is x+1x2=(x1/x)210x + \frac1x - 2 = \frac{(\,\sqrt x - 1/\sqrt x\,)^2}{1} \geq 0, dus is 22 een ondergrens; en 2=1+11A2 = 1 + \frac11 \in A: bijgevolg is infA=minA=2\inf A = \min A = 2, bereikt in x=1x = 1. Naar boven is AA onbegrensd (x+1x>xx + \frac1x > x kan elke MM overtreffen wegens Stelling 10.10): supA\sup A bestaat niet in R\R (het is ++\infty in R\overline\R).

De verzameling B={mm+n:m,nN}B = \bigl\{\frac{m}{m + n} : m, n \in \N^*\bigr\}. Elk element ligt in (0,1)\intoo{0}{1}, dus zijn 00 en 11 grenzen. Geen van beide wordt bereikt: mm+n=1\frac{m}{m+n} = 1 zou n=0n = 0 afdwingen. Voor het supremum leg je n=1n = 1 vast en laat je mm groeien: mm+1=11m+1>1ε\frac{m}{m+1} = 1 - \frac{1}{m+1} > 1 - \varepsilon zodra m+1>1εm + 1 > \frac1\varepsilon (Archimedes): supB=1\sup B = 1. Symmetrisch (m=1m = 1, nn groot) is infB=0\inf B = 0. Het inzicht tot slot: om een supremum vast te pinnen volstaat één goedgekozen pad met één parameter binnen de verzameling — hier het pad n=1n = 1 — en de ε\varepsilon-karakterisering vraagt niets meer.

Voorbeeld 10.7 (De spiegel van het infimum)

Het infimum heeft zijn eigen ε\varepsilon-karakterisering, verkregen uit Propositie 10.4 via infA=sup(A)\inf A = -\sup(-A): i=infAi = \inf A precies wanneer ii de verzameling AA naar onderen begrenst en er voor elke ε>0\varepsilon > 0 een aAa \in A is met a<i+εa < i + \varepsilon. Een oefening met beide grenzen tegelijk: zij

A={(1)n+1n:nN}={0, 32, 23, 54, 45, }.A = \Bigl\{(-1)^n + \frac1n : n \in \N^*\Bigr\} = \Bigl\{0,\ \tfrac32,\ -\tfrac23,\ \tfrac54,\ -\tfrac45,\ \dots\Bigr\} .

Even indices geven 1+1n321 + \frac1n \leq \frac32, met gelijkheid in n=2n = 2: omdat ook de waarden bij oneven index 0<32\leq 0 < \frac32 zijn, is supA=maxA=32\sup A = \max A = \frac32. Oneven indices geven 1+1n>1-1 + \frac1n > -1, dalend naar 1-1: elk element van AA is >1> -1, en 1+ε-1 + \varepsilon wordt verslagen door 1+1n-1 + \frac1n voor oneven n>1εn > \frac1\varepsilon: infA=1\inf A = -1, niet bereikt. Eén verzameling, met alle vier de gedragingen in beeld: een supremum dat een maximum is, en een infimum dat geen minimum is.

Opmerking 10.8 (Veelgemaakte fouten met sup en inf)

Vier fouten zijn goed voor de meeste verloren punten. (i) sup\sup en max\max verwarren: supA\sup A hoeft niet tot AA te behoren; schrijf max\max pas nadat je een element van AA hebt aangewezen dat een bovengrens is. (ii) Strikte ongelijkheden naar het supremum doortrekken: geldt a<ba < b voor alle aAa \in A, dan mag je alleen supAb\sup A \leq b besluiten — getuige A=(0,1)A = \intoo{0}{1} met b=1b = 1. (iii) supA\sup A schrijven vóór je de geldigheid nagaat: het symbool vergt dat AA niet-leeg en naar boven begrensd is (Methode 10.18); sup\sup \emptyset en supN\sup \N zijn in R\R niet gedefinieerd (de afspraken in R\overline\R zijn een afzonderlijke, uitdrukkelijke stap). (iv) Bewerkingen met verzamelingen: sup(AB)=max(supA,supB)\sup(A \cup B) = \max(\sup A, \sup B) geldt altijd, maar voor ABA \cap B geldt niets algemeens — de doorsnede kan leeg zijn, en zelfs als ze dat niet is, kan sup(AB)\sup(A \cap B) ver onder min(supA,supB)\min(\sup A, \sup B) liggen: neem A={0,2}A = \{0, 2\} en B={0,3}B = \{0, 3\}, waar sup(AB)=0\sup(A \cap B) = 0.

Voorbeeld 10.9 (Eindige verzamelingen hebben een maximum — een stilzwijgend gebruikt lemma)

Elke eindige niet-lege FRF \subseteq \R heeft een maximum (en een minimum). Inductie naar het aantal elementen: een singleton {a}\{a\} heeft max=a\max = a; geldt de bewering voor verzamelingen met nn elementen en heeft FF er n+1n + 1, kies dan een aFa \in F: de verzameling F{a}F \setminus \{a\} heeft een maximum mm, en maxF\max F is mm als ama \leq m en anders aa. Er komt geen volledigheid aan te pas — dit is zuivere ordening plus inductie, al geldig in Q\Q — en toch verdient het lemma één eerlijke vermelding, omdat de komende bewijzen het stilzwijgend inroepen: de constructie van de vloer hieronder (“een verzameling gehele getallen die in een eindig bereik opgesloten zit heeft een grootste element”), elke afschatting max(u0,,uN1,)\max(\abs{u_0}, \dots, \abs{u_{N-1}}, \dots) in Hoofdstuk 11, elk “neem de grootste van de eindig vele δ\delta’s” in Hoofdstuk 13. Bij oneindige verzamelingen sterven de maxima en nemen de suprema het over: dit hoofdstuk bestaat voor het oneindige geval.

Stelling 10.10 (Archimedische eigenschap)

Voor elke xRx \in \R bestaat er een nNn \in \N met n>xn > x. Equivalent: voor alle ε>0\varepsilon > 0 en y>0y > 0 overtreft een zeker veelvoud nεn\varepsilon het getal yy.

Bewijs. Stel van niet: een zekere xx is een bovengrens van N\N. Dan bestaat s=supNs = \sup \N (Stelling 10.2). Volgens Propositie 10.4 (2) met ε=1\varepsilon = 1 is er een nNn \in \N met n>s1n > s - 1; maar dan is n+1Nn + 1 \in \N en n+1>sn + 1 > s, in tegenspraak met het feit dat ss een bovengrens is. Voor de tweede vorm: zij ε>0\varepsilon > 0 en y>0y > 0; de eerste vorm, toegepast op x=yεx = \frac{y}{\varepsilon}, levert een nNn \in \N met n>yεn > \frac{y}{\varepsilon}, en vermenigvuldigen met ε>0\varepsilon > 0 (wat strikte ongelijkheden bewaart) geeft nε>yn\varepsilon > y. Omgekeerd geeft de tweede vorm met ε=1\varepsilon = 1 en y=xy = x de eerste terug voor x>0x > 0, en n=1n = 1 handelt x0x \leq 0 af: de twee uitspraken zijn strikt equivalent.

Voorbeeld 10.11 (Archimedes aan het werk)

Drie onmiddellijke toepassingen, later voortdurend nodig. (i) Geen enkel positief reëel getal ligt onder alle 1n\frac1n: is 0<ε0 < \varepsilon, kies dan n>1εn > \frac1\varepsilon; dan is 1n<ε\frac1n < \varepsilon. Met andere woorden: R\R bevat geen oneindig kleine getallen — het informele “1n\frac1n wordt willekeurig klein” is precies deze stelling. (ii) Expliciete drempels: hoe groot moet nn zijn opdat 1n2106\frac{1}{n^2} \leq 10^{-6}? Het volstaat dat n103n \geq 10^3 — Archimedes waarborgt dat zulke nn bestaan, en de algebra lokaliseert ze. (iii) Machten verslaan elke grens: 2nn+12^n \geq n + 1 (inductie), dus voor elke MM overtreft een zekere macht van 22 het getal MM: de meetkundige groei die in Oefening 10.8 voor de dyadische getallen gebruikt wordt. Het inzicht tot slot: de archimedische eigenschap is de vergunning achter elke zinsnede van de vorm “neem nn groot genoeg” — vanaf nu gebruiken we die zinsnede vrijelijk, en dit voorbeeld is haar eenmalige rechtvaardiging.

Stelling 10.12 (Vloerfunctie)

Voor elke xRx \in \R bestaat er precies één geheel getal, de vloer x\lfloor x \rfloor, met

xx<x+1.\lfloor x \rfloor \leq x < \lfloor x \rfloor + 1 .

Bewijs. Bestaan. De verzameling E={kZ:kx}E = \{k \in \Z : k \leq x\} is niet-leeg: volgens Stelling 10.10 is er een mNm \in \N met m>xm > -x, en dan is m<x-m < x, dus mE-m \in E. Ze is naar boven begrensd (door elk geheel getal n>xn > x, dat om dezelfde reden bestaat), zodat ze, als verzameling gehele getallen opgesloten in het eindige bereik [ ⁣[m,n] ⁣]\intint{-m}{n}, een grootste element k=maxEk = \max E heeft. Dan is kxk \leq x, en k+1Ek + 1 \notin E betekent x<k+1x < k + 1.

Uniciteit. Voldoen kk en kk' beide aan de ongelijkheden, dan geeft kx<k+1k \leq x < k' + 1 dat kkk \leq k', en symmetrisch kkk' \leq k.

Voorbeeld 10.13 (Vloeren in de praktijk)

3.7=3\lfloor 3.7 \rfloor = 3, 5=5\lfloor 5 \rfloor = 5, en 3.7=4\lfloor -3.7 \rfloor = -4: de vloer gaat omlaag, niet naar 00 toe. Twee gevolgen van de uniciteit in Stelling 10.12 die we stilzwijgend zullen gebruiken. Ten eerste is voor nZn \in \Z

x+n=x+n,\lfloor x + n \rfloor = \lfloor x \rfloor + n ,

omdat x+n\lfloor x \rfloor + n een geheel getal is dat aan de twee definiërende ongelijkheden voor x+nx + n voldoet — en slechts één geheel getal doet dat. Ten tweede is \lfloor \, \cdot \, \rfloor niet-dalend: is xyx \leq y, dan is xxy<y+1\lfloor x \rfloor \leq x \leq y < \lfloor y \rfloor + 1, en een geheel getal <y+1< \lfloor y \rfloor + 1 is y\leq \lfloor y \rfloor. Let er wel op dat 2x2x\lfloor 2x \rfloor \neq 2\lfloor x \rfloor in het algemeen: x=0.6x = 0.6 geeft 1.2=10=20.6\lfloor 1.2 \rfloor = 1 \neq 0 = 2\lfloor 0.6 \rfloor.

Wat wel waar is, is een uitgewerkte identiteit die het onthouden waard is (die van Hermite, in haar eenvoudigste geval): voor elke reële xx geldt

x+x+12=2x.\lfloor x \rfloor + \Bigl\lfloor x + \frac12 \Bigr\rfloor = \lfloor 2x \rfloor .

Schrijf x=x+ux = \lfloor x\rfloor + u met u[0,1)u \in \intco{0}{1} en onderscheid twee gevallen. Is u<12u < \frac12, dan is het linkerlid x+x=2x\lfloor x\rfloor + \lfloor x\rfloor = 2\lfloor x\rfloor, en 2x=2x+2u2x = 2\lfloor x\rfloor + 2u met 2u[0,1)2u \in \intco{0}{1}, zodat ook het rechterlid 2x2\lfloor x\rfloor is. Is u12u \geq \frac12, dan is het linkerlid x+(x+1)\lfloor x\rfloor + (\lfloor x\rfloor + 1), en 2u[1,2)2u \in \intco{1}{2} maakt het rechterlid 2x+12\lfloor x\rfloor + 1. Het inzicht tot slot: x+12\lfloor x + \frac12\rfloor is het afronden van xx op het dichtstbijzijnde gehele getal, zodat de identiteit zegt dat vloer plus afronding gelijk is aan de vloer van het dubbele — en de gevalsindeling naar het decimale deel uu is de standaardtechniek achter elke vloeridentiteit (Oefeningen 10.2 en 10.3 draaien er ook op).

Stelling 10.14 (Dichtheid van Q\Q en van RQ\R \setminus \Q)

Tussen elke twee reële getallen x<yx < y liggen een rationaal en een irrationaal getal.

Bewijs. Een rationaal getal. Kies volgens Stelling 10.10 een nNn \in \N^* met n>1yxn > \frac{1}{y - x}, zodat nynx>1ny - nx > 1. Zet m=nx+1m = \lfloor nx \rfloor + 1. Enerzijds is nx<nx+1=mnx < \lfloor nx \rfloor + 1 = m (Stelling 10.12); anderzijds is m=nx+1nx+1<nym = \lfloor nx \rfloor + 1 \leq nx + 1 < ny. Deling door nn geeft x<mn<yx < \frac mn < y.

Een irrationaal getal. Pas het vorige punt toe op het paar x2<y2x - \sqrt 2 < y - \sqrt 2: een zeker rationaal getal qq ligt ertussen, en dan is q+2(x,y)q + \sqrt 2 \in \intoo{x}{y} irrationaal (was q+2q + \sqrt 2 rationaal, dan ook 2\sqrt 2).

Voorbeeld 10.15 (Het bewijs van de dichtheid uitvoeren)

Het bewijs is een algoritme; laten we het uitvoeren op x=1.414x = 1.414 en y=2y = \sqrt 2. Omdat 1.41422=1.99996164<21.4142^2 = 1.99996164 < 2, is 2>1.4142\sqrt 2 > 1.4142, dus yx>0.0002y - x > 0.0002 en 1yx<5000\frac{1}{y - x} < 5000: de keuze n=5000n = 5000 is geoorloofd. Dan is nx=7070nx = 7070, dus m=7070+1=7071m = \lfloor 7070 \rfloor + 1 = 7071, en het geproduceerde rationale getal is

mn=70715000=1.4142,1.414<1.4142<2.\frac{m}{n} = \frac{7071}{5000} = 1.4142, \qquad 1.414 < 1.4142 < \sqrt 2 .

Het inzicht tot slot: het bewijs heeft nn slechts iets groter dan 1yx\frac{1}{y-x} nodig, en geeft het eerste veelvoud van 1n\frac 1n voorbij xx terug. Dichtheid is geen abstract mirakel — het is een vermomde staartdeling, een thema dat in de weekendopgave uitgebreid uitgewerkt wordt (Probleem 10.1).

Opmerking 10.16 (Waar de volledigheid hierna gebruikt wordt)

Stelling 10.2 is het enige niet-algebraïsche axioma van dit boek, en elke bestaansstelling van de analyse is dat axioma in andere kleren: de stelling van de monotone limiet (Hoofdstuk 11), de stelling van Bolzano–Weierstrass (Hoofdstuk 12), de tussenwaardestelling en de extremumstelling (Hoofdstuk 13), en de definitie zelf van de integraal als een supremum van ondersommen (Hoofdstuk 15). Het volume van bachelorjaar 3 bouwt de maattheorie en de hilbertruimten op datzelfde ene axioma. Wanneer een bewijs in de komende hoofdstukken een reëel getal uit het niets tevoorschijn haalt, zoek dan het verborgen supremum.

Opmerking 10.17 (Tussen discreetheid en dichtheid)

Z\Z en Q\Q liggen binnen R\R op tegengestelde uitersten: rond elk geheel getal ligt een gat van lengte 11 zonder ander geheel getal (discreetheid — daardoor is de vloer welgedefinieerd), terwijl er tussen elke twee reële getallen oneindig veel rationale getallen liggen (dichtheid). Opmerkelijk genoeg zit er voor additieve deelgroepen van R\R niets tussenin: Oefening 10.9 bewijst dat zo’n deelgroep ofwel van de vorm αZ\alpha\Z (discreet) ofwel dicht is — een dichotomie die de dichtheid van {sinn}\{\sin n\} in Hoofdstuk 11 en het constructieve monster van Probleem 13.1 aandrijft. Algemene verzamelingen mengen de gedragingen natuurlijk vrijelijk: ZQ[0,1]\Z \cup \Q\cap\intcc{0}{1} is ver weg discreet en in het midden dicht.

Methode 10.18 (Gelijkheden met sup en inf bewijzen)

Om supA=s\sup A = s te bewijzen: ga na dat ss de verzameling AA naar boven begrenst, en lever daarna voor elke ε>0\varepsilon > 0 (of voor een rij ε=1n\varepsilon = \frac 1n) een element van AA boven sεs - \varepsilon. Om suprema te vergelijken gebruik je: AB    supAsupBA \subseteq B \implies \sup A \leq \sup B; en voor alle a,ba, b: sup(A+B)=supA+supB\sup(A + B) = \sup A + \sup B, waarbij A+B={a+b}A + B = \{a + b\} (Oefening 10.5). Schrijf nooit supA\sup A voordat je weet dat AA niet-leeg en naar boven begrensd is.

10.2 Intervallen

Propositie 10.19 (Karakterisering van de intervallen)

Een deelverzameling IRI \subseteq \R is een interval (een van de vertrouwde types (a,b)\intoo{a}{b}, [a,b]\intcc{a}{b}, [a,b)\intco{a}{b}, (a,b]\intoc{a}{b}, halfrechten, R\R, \emptyset, singletons) dan en slechts dan als ze convex is:

x,yI, zR,xzy    zI.\forall x, y \in I,\ \forall z \in \R, \quad x \leq z \leq y \implies z \in I .

Bewijs. Elk opgesomd type is duidelijk convex. Omgekeerd, zij II convex en niet-leeg. Zet a=infIa = \inf I wanneer II naar onderen begrensd is en anders a=a = -\infty; evenzo b=supIb = \sup I of ++\infty. We beweren dat (a,b)I[a,b]\intoo{a}{b} \subseteq I \subseteq \intcc{a}{b} (met de voor de hand liggende afspraken in ±\pm\infty). De tweede inclusie is de definitie van de grenzen. Voor de eerste: zij z(a,b)z \in \intoo{a}{b}; omdat z>az > a, is zz geen ondergrens (of is a=a = -\infty), dus is er een xIx \in I met x<zx < z; evenzo is er een yIy \in I met y>zy > z; de convexiteit legt zz in II.

Rest nog het type af te lezen uit de dubbele inclusie (a,b)I[a,b]\intoo{a}{b} \subseteq I \subseteq \intcc{a}{b}: de verzamelingen die tussen een open interval en zijn afsluiting geklemd zitten, verschillen van (a,b)\intoo{a}{b} alleen door de aan- of afwezigheid van de (eindige) randpunten. Expliciet: zijn a,bRa, b \in \R, dan geven de vier mogelijkheden voor (aI, bI)(a \in I,\ b \in I) de intervallen (a,b)\intoo{a}{b}, [a,b)\intco{a}{b}, (a,b]\intoc{a}{b}, [a,b]\intcc{a}{b} (met inbegrip van de ontaarde gevallen a=ba = b: een singleton als aIa \in I); is a=a = -\infty en bRb \in \R, dan krijg je (,b)\intoo{-\infty}{b} of (,b]\intoc{-\infty}{b}; symmetrisch voor aRa \in \R en b=+b = +\infty; en a=a = -\infty met b=+b = +\infty geeft I=RI = \R. Elk geval staat op de lijst: klaar.

Opmerking 10.20 (Waarom convexiteit de juiste toets is)

De propositie zet een meetkundige definitie (een lijst van tien vormen) om in een logische toets van één regel, en die toets is wat je werkelijk gebruikt: om te bewijzen dat een verzameling een interval is, jaag je nooit op de vraag welke van de tien vormen het is — ga de convexiteit na en laat de propositie het type uitzoeken. De tussenwaardestelling van Hoofdstuk 13 zal precies zo geformuleerd worden (“het continue beeld van een interval is een interval”), en haar bewijs levert de convexiteit, niet de vorm.

Opmerking 10.21 (De uitgebreide reële rechte)

Het is handig twee symbolen toe te voegen en in R=R{,+}\overline\R = \R \cup \{-\infty, +\infty\} te werken, met de afspraken supA=+\sup A = +\infty wanneer AA niet naar boven begrensd is en sup=\sup \emptyset = -\infty. Dan heeft elke deelverzameling van R\R een supremum in R\overline\R — een notatiegemak dat in Hoofdstuk 11 vrijelijk voor limieten gebruikt wordt.

Voorbeeld 10.22 (Rekenen in R\overline\R)

Met die afspraken van kracht: supZ=+\sup \Z = +\infty en infZ=\inf \Z = -\infty; voor A={n+(1)nn:nN}={0,4,0,8,}{0}A = \{n + (-1)^n n : n \in \N\} = \{0, 4, 0, 8, \dots\} \cup \{0\} is supA=+\sup A = +\infty (de even termen 2n2n zijn onbegrensd) en infA=minA=0\inf A = \min A = 0; en sup=inf=+\sup\emptyset = -\infty \leq \inf\emptyset = +\infty — de enige verzameling waarvan het supremum kleiner is dan haar infimum, een herinnering dat de afspraken zó gekozen zijn dat sup\sup stijgend en inf\inf dalend is ten opzichte van de inclusie:

AB    supAsupBeninfAinfB,A \subseteq B \implies \sup A \leq \sup B \quad\text{en}\quad \inf A \geq \inf B ,

nu geldig zonder enig voorbehoud over niet-leegheid. Wat de afspraken niet leveren, is rekenkunde: ++()+\infty + (-\infty) en 0×(+)0 \times (+\infty) blijven ongedefinieerd, en elke algebraïsche manipulatie van suprema moet eerst nagaan dat ze die nooit vormt. De uitgebreide rechte is boekhouding, geen getalsysteem.

Voorbeeld 10.23 (Het supremum dat aan Q\Q ontsnapte)

Keer terug naar de verzameling uit de openingsopmerking, A={xQ:x2<2}A = \{x \in \Q : x^2 < 2\}, en bereken haar supremum in R\R. Ze is niet-leeg (1A1 \in A) en naar boven begrensd door 1.51.5 (is x>1.5x > 1.5, dan is x2>2.25>2x^2 > 2.25 > 2), dus bestaat s=supAs = \sup A. We beweren s=2s = \sqrt 2 (het reële getal dat in Oefening 10.12 gebouwd wordt). Bovengrens: elke aAa \in A voldoet aan a<2a < \sqrt2 — voor a0a \leq 0 is dat duidelijk, en voor a>0a > 0 zou a2a \geq \sqrt2 geven dat a22a^2 \geq 2. Niets kleiners voldoet: bij gegeven t<2t < \sqrt2 levert de dichtheid (Stelling 10.14) een rationaal getal qq met max(1,t)<q<2\max(1, t) < q < \sqrt 2, en dan is q2<2q^2 < 2, zodat qAq \in A het getal tt overtreft. Volgens Propositie 10.4 is s=2Qs = \sqrt2 \notin \Q. Het inzicht tot slot: het supremum van een verzameling rationale getallen hoeft niet rationaal te zijn — de volledigheid is juist de belofte dat R\R, anders dan Q\Q, een supremum nooit laat ontsnappen; dit voorbeeld is de openingsopmerking van het hoofdstuk, nu bewezen in plaats van aangewezen.

Opmerking 10.24 (Perspectieven binnen dit volume)

De drie gereedschappen van het hoofdstuk hebben elk hun eigen loopbaan voor de boeg. Het supremum drijft de analytische helft aan: monotone limieten (Hoofdstuk 11), de definitie zelf van de integraal (Hoofdstuk 15), en in de meetkunde van Hoofdstuk 23 de afstand van een punt tot een deelruimte — een infimum dat de orthogonale projectie in een minimum verandert. De vloerfunctie keert terug waar het discrete het continue ontmoet: cijferontwikkelingen (de weekendopgave van dit hoofdstuk), de benadering van Dirichlet met het duivenhokprincipe (Probleem 14.1), het vergelijken van sommen met integralen (Hoofdstuk 17). Dichtheidsargumenten worden in Hoofdstuk 13 tot een methode verheven: een identiteit tussen continue functies hoef je alleen op Q\Q na te gaan — de helft van de functievergelijking van Cauchy (Probleem 13.1) is precies die zet. Twijfel je waar een bewijs in dit volume zijn bestaansuitspraken vandaan haalt, dan luidt het antwoord vrijwel altijd: uit dit hoofdstuk.

10.3 Oefeningen

Oefening 10.1

Bepaal met bewijs sup, inf, max en min — voor zover ze bestaan — van:

A={1n:nN},B={(1)nnn+1:nN},C={xR:x2<3}.A = \Bigl\{\frac{1}{n} : n \in \N^*\Bigr\}, \qquad B = \Bigl\{\frac{(-1)^n n}{n+1} : n \in \N\Bigr\}, \qquad C = \{x \in \R : x^2 < 3\}.
Oplossing

Oplossing van Oefening 10.1.

AA: elk element is 1\leq 1 en 1A1 \in A, dus supA=maxA=1\sup A = \max A = 1. Ondergrenzen: 00 begrenst naar onderen; voor ε>0\varepsilon > 0 levert Archimedes een nn met 1n<ε\frac 1n < \varepsilon, zodat geen positief getal AA naar onderen begrenst: infA=0\inf A = 0, niet bereikt (geen min).

BB: de termen zijn 0,12,23,34,45,0, -\frac12, \frac23, -\frac34, \frac45, \dots De termen met even index nn+1\frac{n}{n+1} stijgen naar 11 zonder het te bereiken; die met oneven index nn+1-\frac{n}{n+1} dalen naar 1-1. Dus is supB=1\sup B = 1 en infB=1\inf B = -1, geen van beide bereikt: geen max, geen min. (Grenzen: b<1\abs{b} < 1 voor alle bBb \in B; en nn+1=11n+1>1ε\frac{n}{n+1} = 1 - \frac{1}{n+1} > 1 - \varepsilon voor grote nn, analoog naar onderen.)

C=(3,3)C = \intoo{-\sqrt 3}{\sqrt 3}: supC=3\sup C = \sqrt 3 en infC=3\inf C = -\sqrt 3, geen van beide bereikt.

Oefening 10.2

Bewijs dat voor alle x,yRx, y \in \R geldt x+yx+yx+y+1\lfloor x \rfloor + \lfloor y \rfloor \leq \lfloor x + y \rfloor \leq \lfloor x \rfloor + \lfloor y \rfloor + 1, en dat beide grenzen bereikt worden.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.2.

Schrijf x=x+ux = \lfloor x \rfloor + u en y=y+vy = \lfloor y \rfloor + v met u,v[0,1)u, v \in \intco{0}{1}. Dan is x+y=x+y+(u+v)x + y = \lfloor x \rfloor + \lfloor y \rfloor + (u + v) met u+v[0,2)u + v \in \intco{0}{2}. Is u+v<1u + v < 1, dan is x+y=x+y\lfloor x + y\rfloor = \lfloor x\rfloor + \lfloor y \rfloor; is 1u+v<21 \leq u + v < 2, dan is x+y=x+y+1\lfloor x+y \rfloor = \lfloor x \rfloor + \lfloor y \rfloor + 1. Beide gevallen komen voor: (x,y)=(0.2,0.3)(x, y) = (0.2,\, 0.3) geeft de linkergelijkheid, (0.7,0.8)(0.7,\, 0.8) de rechter.

Oefening 10.3

Bewijs dat voor elke xRx \in \R en nNn \in \N^* geldt nxn=x\Bigl\lfloor \frac{\lfloor nx \rfloor}{n} \Bigr\rfloor = \lfloor x \rfloor.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.3.

Zij k=xk = \lfloor x \rfloor, zodat kx<k+1k \leq x < k + 1. Vermenigvuldigen met nn geeft nknx<nk+nnk \leq nx < nk + n, en vloeren nemen (een stijgende bewerking aan de kant van de gehele getallen) geeft nknxnk+n1nk \leq \lfloor nx \rfloor \leq nk + n - 1. Deling door nn: knxn<k+1k \leq \frac{\lfloor nx \rfloor}{n} < k + 1, zodat de buitenste vloer kk is.

Oefening 10.4

Zij ABA \subseteq B niet-lege deelverzamelingen van R\R, met BB begrensd. Bewijs infBinfAsupAsupB\inf B \leq \inf A \leq \sup A \leq \sup B.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.4.

Elk element van AA ligt in BB, dus begrenst supB\sup B ook AA naar boven: bijgevolg is supAsupB\sup A \leq \sup B (supA\sup A is de kleinste bovengrens). Symmetrisch is infBinfA\inf B \leq \inf A. Ten slotte is infAsupA\inf A \leq \sup A omdat AA niet-leeg is: elke aAa \in A ligt ertussen.

Oefening 10.5 ★★

Definieer voor niet-lege begrensde A,BRA, B \subseteq \R de verzamelingen A+B={a+b:aA, bB}A + B = \{a + b : a \in A,\ b \in B\} en A={a:aA}-A = \{-a : a \in A\}. Bewijs:

sup(A+B)=supA+supB,sup(A)=infA.\sup(A + B) = \sup A + \sup B, \qquad \sup(-A) = -\inf A .
Oplossing

Oplossing van Oefening 10.5.

Zij s=supAs = \sup A en t=supBt = \sup B. Elke a+bs+ta + b \leq s + t: een bovengrens. Kies voor ε>0\varepsilon > 0 elementen a>sε2a > s - \frac\varepsilon2 en b>tε2b > t - \frac\varepsilon2 (Propositie 10.4): dan is a+b>s+tεa + b > s + t - \varepsilon. Volgens de ε\varepsilon-karakterisering is sup(A+B)=s+t\sup(A+B) = s + t.

Voor A-A: mm begrenst A-A naar boven     \iff m-m begrenst AA naar onderen; de kleinste bovengrens van A-A hoort dus bij de grootste ondergrens van AA: sup(A)=infA\sup(-A) = -\inf A.

Oefening 10.6 ★★

Zij f,g ⁣:ERf, g \colon E \to \R begrensde functies. Bewijs

supxE(f(x)+g(x))supxEf(x)+supxEg(x),\sup_{x \in E}\, \bigl(f(x) + g(x)\bigr) \leq \sup_{x \in E} f(x) + \sup_{x \in E} g(x),

en geef een voorbeeld waarin de ongelijkheid strikt is. Waarom spreekt dat Oefening 10.5 niet tegen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.6.

Voor elke xx is f(x)+g(x)supf+supgf(x) + g(x) \leq \sup f + \sup g; het supremum van het linkerlid nemen geeft de ongelijkheid. Strikt voorbeeld: E={0,1}E = \{0, 1\}, f=1{0}f = \mathbf{1}_{\{0\}} (waarde 11 in 00, elders 00) en g=1{1}g = \mathbf{1}_{\{1\}}: sup(f+g)=1<2=supf+supg\sup(f + g) = 1 < 2 = \sup f + \sup g.

Geen tegenspraak met Oefening 10.5: daar variëren aAa \in A en bBb \in B onafhankelijk; hier voedt dezelfde xx zowel ff als gg — de verzameling {f(x)+g(x):xE}\{f(x) + g(x) : x \in E\} is kleiner dan de verzameling {f(x)+g(y):x,yE}\{f(x) + g(y) : x, y \in E\}.

Oefening 10.7 ★★

Bewijs dat 2+3\sqrt 2 + \sqrt 3 irrationaal is. (Kwadrateer en gebruik de irrationaliteit van 6\sqrt 6, te bewijzen via Oefening 6.7.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.7.

6\sqrt 6 is irrationaal: 6=2×36 = 2 \times 3 is geen volkomen kwadraat, en v2(6q2)=1+2v2(q)v_2(6q^2) = 1 + 2v_2(q) is oneven, wat 6q2=r26q^2 = r^2 verhindert (als in Oefening 6.7). Stel nu x=2+3Qx = \sqrt 2 + \sqrt 3 \in \Q. Dan is x2=5+26Qx^2 = 5 + 2\sqrt 6 \in \Q, dus 6=x252Q\sqrt 6 = \frac{x^2 - 5}{2} \in \Q: tegenspraak. Bijgevolg is 2+3Q\sqrt 2 + \sqrt 3 \notin \Q.

Oefening 10.8 ★★

Bewijs dat de verzameling D={m2n:mZ, nN}D = \bigl\{\frac{m}{2^n} : m \in \Z,\ n \in \N\bigr\} van de dyadische rationale getallen dicht ligt in R\R: tussen elke twee reële getallen ligt een dyadisch rationaal getal.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.8.

Zij x<yx < y. Kies nNn \in \N met 2n>1yx2^n > \frac{1}{y - x} (Archimedes: 2nn+12^n \geq n + 1 met een eenvoudige inductie, zodat een zekere macht van 22 elk reëel getal overtreft). Dan geldt, net als in het bewijs van Stelling 10.14 met 2n2^n in de plaats van nn: m=2nx+1m = \lfloor 2^n x \rfloor + 1 voldoet aan x<m2n<yx < \frac{m}{2^n} < y. Dus ligt DD dicht.

Oefening 10.9 ★★★

Zij GG een deelgroep van (R,+)(\R, +) met G{0}G \neq \{0\}. Zet α=inf(G(0,+))\alpha = \inf\,(G \cap \intoo{0}{+\infty}). Bewijs:

  1. is α>0\alpha > 0, dan is G=αZG = \alpha\Z;
  2. is α=0\alpha = 0, dan ligt GG dicht in R\R.

Leid af dat Z+2Z\Z + \sqrt 2\,\Z dicht ligt in R\R.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.9.

  1. Stel α>0\alpha > 0. Ten eerste is αG\alpha \in G. Stel van niet: volgens de ε\varepsilon-karakterisering van het infimum met ε=α\varepsilon = \alpha is er een gGg \in G met α<g<2α\alpha < g < 2\alpha (links strikt, want αG\alpha \notin G); vervolgens is er met ε=gα\varepsilon = g - \alpha een hGh \in G met α<h<g\alpha < h < g. Nu is ghGg - h \in G met 0<gh<gα<α0 < g - h < g - \alpha < \alpha: een element van G(0,+)G \cap \intoo{0}{+\infty} onder zijn infimum, ongerijmd. Dus αG\alpha \in G, en αZG\alpha\Z \subseteq G (GG is een groep). Omgekeerd, zij xGx \in G en k=x/αk = \lfloor x/\alpha \rfloor: dan is xkαGx - k\alpha \in G met 0xkα<α0 \leq x - k\alpha < \alpha, en de definitie van α\alpha dwingt xkα=0x - k\alpha = 0 af. Bijgevolg is G=αZG = \alpha\Z.
  2. Stel α=0\alpha = 0 en zij x<yx < y. Er is een gGg \in G met 0<g<yx0 < g < y - x. Het veelvoud kgkg met k=x/g+1k = \lfloor x/g \rfloor + 1 voldoet aan x<kgx+g<yx < kg \leq x + g < y, en kgGkg \in G: dichtheid.

G=Z+2ZG = \Z + \sqrt 2\,\Z is een deelgroep van (R,+)(\R, +). Ze is niet van de vorm αZ\alpha\Z: anders zouden 1=pα1 = p\alpha en 2=qα\sqrt 2 = q\alpha (met p,qZp, q \in \Z) geven dat 2=qpQ\sqrt 2 = \frac qp \in \Q, een tegenspraak. Wegens de dichotomie ligt GG dus dicht in R\R.

Oefening 10.10 ★★★

Zet voor niet-lege verzamelingen A,BA, B van positieve reële getallen AB={ab:aA,bB}AB = \{ab : a \in A, b \in B\}. Bewijs sup(AB)=supAsupB\sup(AB) = \sup A \cdot \sup B (begrensd geval), en toon met een voorbeeld aan dat de positiviteit essentieel is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.10.

Zij s=supA>0s = \sup A > 0 en t=supB>0t = \sup B > 0. Voor aAa \in A en bBb \in B is abstab \leq st (ongelijkheden tussen positieve getallen vermenigvuldigen). Kies voor 0<ε<min(s,t)0 < \varepsilon < \min(s, t) elementen a>sεa > s - \varepsilon en b>tεb > t - \varepsilon; dan is

ab>(sε)(tε)=stε(s+t)+ε2>stε(s+t),ab > (s - \varepsilon)(t - \varepsilon) = st - \varepsilon(s + t) + \varepsilon^2 > st - \varepsilon (s + t),

en ε(s+t)\varepsilon(s+t) kan willekeurig klein gemaakt worden: volgens de ε\varepsilon-karakterisering (in de vorm: geen getal <st< st begrenst ABAB naar boven) is supAB=st\sup AB = st.

De positiviteit is essentieel: A=B={1,0}A = B = \{-1, 0\} geeft AB={0,1}AB = \{0, 1\} met supAB=1\sup AB = 1, terwijl supAsupB=0×0=0\sup A \cdot \sup B = 0 \times 0 = 0.

Oefening 10.11 ★★

Definieer voor een niet-lege begrensde ARA \subseteq \R de diameter

diamA=sup{aa:a,aA}.\operatorname{diam} A = \sup\,\{\abs{a - a'} : a, a' \in A\} .

Bewijs dat diamA=supAinfA\operatorname{diam} A = \sup A - \inf A, en dat [infA,supA]\intcc{\inf A}{\sup A} het kleinste gesloten interval is dat AA bevat.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.11.

Schrijf s=supAs = \sup A en i=infAi = \inf A. Voor a,aAa, a' \in A geven asa \leq s en aia' \geq i dat aasia - a' \leq s - i; wegens de symmetrie is aasi\abs{a - a'} \leq s - i, zodat sis - i de verzameling verschillen naar boven begrenst. Kies voor ε>0\varepsilon > 0 elementen a>sε2a > s - \frac\varepsilon2 en a<i+ε2a' < i + \frac\varepsilon2 (Propositie 10.4 en haar spiegelbeeld voor het infimum): dan is aaaa>siε\abs{a - a'} \geq a - a' > s - i - \varepsilon. Volgens de ε\varepsilon-karakterisering is diamA=si\operatorname{diam} A = s - i.

Elke aAa \in A voldoet aan iasi \leq a \leq s, dus A[i,s]A \subseteq \intcc{i}{s}, een gesloten interval van lengte diamA\operatorname{diam} A. Bevat een gesloten interval [u,v]\intcc{u}{v} de verzameling AA, dan is vv een bovengrens en uu een ondergrens van AA, dus uiu \leq i en vsv \geq s: [i,s][u,v]\intcc{i}{s} \subseteq \intcc{u}{v}. Bijgevolg is [i,s]\intcc{i}{s} het kleinste.

Oefening 10.12 ★★★

Zij y>0y > 0 en E={x0:x2y}E = \{x \geq 0 : x^2 \leq y\}. Bewijs dat EE niet-leeg en naar boven begrensd is, en dat s=supEs = \sup E voldoet aan s2=ys^2 = y (sluit s2<ys^2 < y en s2>ys^2 > y uit door in elk geval een kleine h>0h > 0 aan te wijzen die de definitie van het supremum tegenspreekt). Leid af dat elke y>0y > 0 precies één vierkantswortel y>0\sqrt y > 0 heeft en dat yyy \mapsto \sqrt y stijgend is op (0,+)\intoo{0}{+\infty}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.12.

Er is 0E0 \in E, dus EE \neq \emptyset. Is x>max(1,y)x > \max(1, y), dan is x2>x>yx^2 > x > y, zodat EE naar boven begrensd is door max(1,y)\max(1, y): s=supEs = \sup E bestaat (Stelling 10.2), en smin(1,y)>0s \geq \min(1, y) > 0 omdat min(1,y)E\min(1, y) \in E: is immers y1y \geq 1, dan is 12=1y1^2 = 1 \leq y, en is y<1y < 1, dan is y2<yy^2 < y.

s2<ys^2 < y is onmogelijk. Kies 0<h<10 < h < 1 met h<ys22s+1h < \frac{y - s^2}{2s + 1}. Dan is

(s+h)2=s2+2sh+h2s2+(2s+1)h<y,(s + h)^2 = s^2 + 2sh + h^2 \leq s^2 + (2s + 1)h < y ,

dus s+hEs + h \in E, in tegenspraak met het feit dat ss de verzameling EE naar boven begrenst.

s2>ys^2 > y is onmogelijk. Kies 0<h<s0 < h < s met h<s2y2sh < \frac{s^2 - y}{2s}. Dan is (sh)2=s22sh+h2>s22sh>y(s - h)^2 = s^2 - 2sh + h^2 > s^2 - 2sh > y; elke xEx \in E voldoet aan x2y<(sh)2x^2 \leq y < (s - h)^2, dus x<shx < s - h (beide zijn 0\geq 0): shs - h is een bovengrens van EE die kleiner is dan ss, in tegenspraak met de minimaliteit.

Bijgevolg is s2=ys^2 = y. Uniciteit: is 0<s<s0 < s < s', dan is s2<s2s^2 < s'^2, zodat twee verschillende positieve wortels niet beide yy als kwadraat kunnen hebben. Monotonie: is 0<y<y0 < y < y', dan is yy\sqrt y \neq \sqrt{y'}, en y>y\sqrt y > \sqrt{y'} zou na kwadrateren y>yy > y' geven: dus y<y\sqrt y < \sqrt{y'}.

10.4 Opgave: cijferontwikkelingen en het ritme van de rationale getallen

Probleem 10.1

Weekendopgave — bb-adische ontwikkelingen: bestaan, uniciteit, en periodiciteit karakteriseert Q\Q

Elk reëel getal in [0,1)\intco{0}{1} heeft in elk grondtal b2b \geq 2 een cijferontwikkeling; die ontwikkeling is uniek zodra staarten van uitsluitend het cijfer b1b - 1 verboden worden; en ze is uiteindelijk periodiek precies wanneer het getal rationaal is. Deze opgave bewijst alle drie de feiten uit het volledigheidsaxioma alleen — geen rijen, geen reeksen: enkel het supremum, de archimedische eigenschap en de vloerfunctie — en sluit af met het diagonaalargument van Cantor in cijfervorm. Overal is b2b \geq 2 een vast geheel getal (het grondtal), is een cijfer een element van [ ⁣[0,b1] ⁣]\intint{0}{b-1}, en heet een cijferrij (dn)n1(d_n)_{n \geq 1} eigenlijk wanneer ze niet uiteindelijk gelijk is aan b1b - 1 (dus: voor elke NN is er een n>Nn > N met dnb2d_n \leq b - 2).

Deel I — Cijfers met de hand. Staartdeling van pp door qq in grondtal bb: vermenigvuldig de huidige rest met bb, deel door qq, noteer het quotiënt als het volgende cijfer, en houd de rest bij.

  1. Voer het algoritme in grondtal 1010 uit op 18\frac 18 en op 17\frac 17, en noteer bij elke stap het cijfer en de rest. Ga na dat de resten voor 17\frac 17 de cyclus 1,3,2,6,4,51, 3, 2, 6, 4, 5 doorlopen en dat de cijfers 142857142857 zich daarna eeuwig herhalen.
  2. Bereken de ontwikkelingen in grondtal 22 van 13\frac 13 en van 516\frac{5}{16}, en de ontwikkeling in grondtal 33 van 12\frac 12. Merk op: één getal breekt af, de twee andere herhalen zich — en 12\frac 12, zo tam in grondtal 1010, herhaalt zich in grondtal 33 eeuwig.
  3. Toon voor x=pq[0,1)x = \frac pq \in \intco{0}{1} onvereenvoudigbaar aan dat de cijfers die het algoritme voortbrengt uiteindelijk alle 00 zijn dan en slechts dan als de rest bNpmodqb^N p \bmod q voor een zekere NN verdwijnt, dan en slechts dan als qq een zekere macht bNb^N deelt, dan en slechts dan als elke priemfactor van qq het getal bb deelt. Ga na: 120\frac{1}{20} breekt af in grondtal 1010, niet in grondtal 33.
  4. Definieer de afknotting sn=bnx/bns_n = \lfloor b^n x \rfloor / b^n. Bereken voor x=2x = \sqrt 2 en b=10b = 10 de waarden s0,,s4s_0, \dots, s_4 door bij elke stap na te gaan dat twee opeenvolgende kwadraten 22 omsluiten (bijvoorbeeld 1.41422=1.99996164<2<2.00024449=1.414321.4142^2 = 1.99996164 < 2 < 2.00024449 = 1.4143^2), en controleer telkens sn2<sn+10ns_n \leq \sqrt 2 < s_n + 10^{-n}.

Deel II — Bestaan, vanuit het supremum. Leg x[0,1)x \in \intco{0}{1} vast en zet An=bnxA_n = \lfloor b^n x \rfloor en dn=AnbAn1d_n = A_n - b\,A_{n-1} voor n1n \geq 1.

  1. Toon aan dat A0=0A_0 = 0 en bAn1AnbAn1+b1b\,A_{n-1} \leq A_n \leq b\,A_{n-1} + b - 1; besluit dat elke dnd_n een cijfer is.
  2. Toon aan dat sn:=Anbns_n := A_n b^{-n} voldoet aan

    sn=k=1ndkbkensnx<sn+bn.s_n = \sum_{k=1}^{n} d_k\,b^{-k} \qquad\text{en}\qquad s_n \leq x < s_n + b^{-n} .
  3. Bewijs bnn+1b^n \geq n + 1 met inductie, en toon daarna aan dat (sn)(s_n) niet-dalend is en dat x=supnsnx = \sup_n s_n (gebruik Propositie 10.4 en Stelling 10.10).
  4. Toon aan dat de rij (dn)(d_n) eigenlijk is: is dk=b1d_k = b - 1 voor alle k>Nk > N, bereken dan sns_n voor n>Nn > N met een eindige meetkundige som en spreek vraag 6 tegen.
  5. Zij omgekeerd (en)n1(e_n)_{n \geq 1} een willekeurige eigenlijke cijferrij en tn=k=1nekbkt_n = \sum_{k=1}^n e_k b^{-k}. Toon aan dat y=supntny = \sup_n t_n bestaat, in [0,1)\intco{0}{1} ligt en voor elke nn voldoet aan tny<tn+bnt_n \leq y < t_n + b^{-n} (gebruik voor de strikte ongelijkheid een cijfer emb2e_m \leq b - 2 met m>nm > n). Leid af dat bny=bntn\lfloor b^n y \rfloor = b^n t_n, en vervolgens dat de cijfers van yy, in de zin van vraag 5, precies de ene_n zijn.

Deel III — Uniciteit, ordening, verschuiving.

  1. Voeg de vragen 5–9 samen tot de stelling over de bb-adische ontwikkeling: de afbeeldingen x(dn)x \mapsto (d_n) en (en)supntn(e_n) \mapsto \sup_n t_n zijn elkaars inverse bijecties tussen [0,1)\intco{0}{1} en de verzameling van de eigenlijke cijferrijen. In het bijzonder hebben geen twee verschillende eigenlijke rijen dezelfde waarde.
  2. Sta nu ook oneigenlijke rijen toe. Toon aan dat een rij met en=b1e_n = b - 1 voor alle n>Mn > M (met M0M \geq 0 minimaal) de waarde tM+bMt_M + b^{-M} heeft; besluit dat 0.999=10.999\dots = 1 in grondtal 1010, en dat de reële getallen met twee cijfervoorstellingen precies de bb-adische breuken m/bN(0,1)m/b^N \in \intoo{0}{1} zijn — elk ander reëel getal heeft er maar één, zelfs onder de oneigenlijke rijen.
  3. Bewijs dat de bijectie van vraag 10 de lexicografische ordening bewaart: verschillen de eigenlijke rijen van xx en yy voor het eerst op index mm, dan is x<yx < y dan en slechts dan als dm<emd_m < e_m.
  4. (Verschuivingslemma) Zij x[0,1)x \in \intco{0}{1} met cijfers (dn)(d_n). Toon aan dat het decimale deel van bxbx de cijfers (dn+1)n1(d_{n+1})_{n \geq 1} heeft (bereken bn(bxA1)\lfloor b^n(bx - A_1)\rfloor met uK=uK\lfloor u - K \rfloor = \lfloor u \rfloor - K voor geheel KK), en leid met inductie af dat het decimale deel van bmxb^m x de cijfers (dn+m)n1(d_{n+m})_{n \geq 1} heeft.

Deel IV — Rationaliteit is periodiciteit. Zij x=pq[0,1)x = \frac pq \in \intco{0}{1} onvereenvoudigbaar en rn=bnpmodqr_n = b^n p \bmod q de rest van de euclidische deling van bnpb^n p door qq.

  1. Toon aan dat An=bnprnqA_n = \dfrac{b^n p - r_n}{q} en rn=(brn1)modqr_n = (b\,r_{n-1}) \bmod q.
  2. Toon aan dat dn=brn1qd_n = \Bigl\lfloor \dfrac{b\,r_{n-1}}{q} \Bigr\rfloor: elk cijfer is een functie van alleen de vorige rest. Dat is precies de staartdeling van Deel I.
  3. Pas het duivenhokprincipe (Gevolg 2.3) toe op r0,,rqr_0, \dots, r_q en besluit: de ontwikkeling van elk rationaal getal is uiteindelijk periodiek, met voorperiode en periode hoogstens qq.
  4. Stel omgekeerd dat de cijfers van y[0,1)y \in \intco{0}{1} zuiver periodiek zijn: dn+T=dnd_{n+T} = d_n voor alle n1n \geq 1. Toon met het verschuivingslemma en de uniciteit van vraag 10 aan dat het decimale deel van bTyb^T y gelijk is aan yy, en leid af dat (bT1)yN(b^T - 1)\,y \in \N: dus is yy rationaal met een noemer die bT1b^T - 1 deelt. Ga het mechanisme na op 0.(142857)0.(142857): 142857×7=999999142857 \times 7 = 999999.
  5. Behandel het uiteindelijk periodieke geval door te verschuiven, en formuleer het periodiciteitscriterium: x[0,1)x \in \intco{0}{1} is rationaal dan en slechts dan als haar eigenlijke bb-adische ontwikkeling uiteindelijk periodiek is — in één grondtal dan en slechts dan als in alle.
  6. Toon voor x=1qx = \frac 1q met gcd(q,b)=1\gcd(q, b) = 1 aan dat de ontwikkeling zuiver periodiek is en dat haar kleinste periode de kleinste T1T \geq 1 met bT1(modq)b^T \equiv 1 \pmod q is (de multiplicatieve orde van bb modulo qq). Ga na dat voor q=7q = 7 en b=10b = 10 de machten van 1010 modulo 77 de rij 3,2,6,4,5,13, 2, 6, 4, 5, 1 doorlopen: orde 66, in overeenstemming met vraag 1.

Deel V — Dividenden en de diagonaal.

  1. Zij xx^* het reële getal uit [0,1)\intco{0}{1} waarvan de cijfers in grondtal 1010 gelijk zijn aan 11 op de driehoeksposities j(j+1)2\frac{j(j + 1)}{2} (j1j \geq 1) en 00 elders: x=0.101001000100001x^* = 0.101001000100001\dots Toon aan dat haar cijferrij eigenlijk maar niet uiteindelijk periodiek is (een periode TT zou enen met tussenafstanden hoogstens TT afdwingen, maar de gaten groeien), en besluit dat xx^* irrationaal is: een getal dat louter door zijn ritme irrationaal blijkt.
  2. Toon aan dat voor elk grondtal bb de verzameling {m/bn:mZ,nN}\{m/b^n : m \in \Z, n \in \N\} dicht ligt in R\R (een veralgemening van Oefening 10.8), en dat elk rationaal getal pq(0,1)\frac pq \in \intoo{0}{1} in grondtal qq een afbrekende ontwikkeling heeft. Moraal: afbreken is een eigenschap van het paar (getal, grondtal); periodiciteit — rationaliteit — is intrinsiek.
  3. (De diagonaal van Cantor) Zij kxkk \mapsto x_k een willekeurige afbeelding van N\N^* naar [0,1)\intco{0}{1}. Definieer de cijferrij ek=1e_k = 1 als het kk-de cijfer van xkx_k van 11 verschilt, en ek=2e_k = 2 in het andere geval. Toon aan dat (ek)(e_k) eigenlijk is, dat haar waarde yy in [0,1)\intco{0}{1} ligt, en dat yxky \neq x_k voor elke kk. Besluit: geen enkele afbeelding N[0,1)\N^* \to \intco{0}{1} is surjectief. (Het vocabulaire van de aftelbaarheid, en de eigenlijke plaats van deze stelling, staan in Hoofdstuk 12.)
  4. Toon aan dat, wanneer de eigenlijke ontwikkelingen van xx en yy tot en met index nn overeenstemmen, xy<bn\abs{x - y} < b^{-n}, en weerleg de omkering met x=0.1x = 0.1 en y=0.0999y = 0.0999 in grondtal 1010: dat getallen dicht bij elkaar liggen dwingt niet af dat hun cijfers overeenstemmen. Welke reële getallen zijn daar schuldig aan?
  5. Voer Deel IV uit op x=110x = \frac{1}{10} in grondtal b=2b = 2: bereken de resten en de cijfers tot ze cyclisch worden, en besluit 110=(0.00011)2\frac{1}{10} = (0.0\overline{0011})_2, met voorperiode 11 en periode 44. Leg met vraag 3 uit waarom geen enkele eindige binaire rij ooit gelijk zal zijn aan 110\frac{1}{10} — de reden waarom 0.1+0.20.1 + 0.2 in de drijvendekommarekening van een computer niet exact 0.30.3 is.
  6. Synthese. In één zin per onderdeel: waar gebruikte het bewijs (i) de volledigheid, (ii) de archimedische eigenschap, (iii) de uniciteitsclausule van de vloer, (iv) het duivenhokprincipe? En de moraal: [0,1)\intco{0}{1} wordt getrouw gecodeerd door eigenlijke cijferrijen, en rationaliteit lees je af als periodiciteit — en toch verkiest de analyse het supremum boven de cijfers. Waarom? (Denk aan het optellen van twee cijferrijen.)
Oplossing

Oplossing van Probleem 10.1.

1. Voor 18\frac 18: 10=81+210 = 8 \cdot 1 + 2, 20=82+420 = 8 \cdot 2 + 4, 40=85+040 = 8 \cdot 5 + 0; cijfers 1,2,51, 2, 5, rest 00, daarna alleen nullen: 18=0.125\frac 18 = 0.125. Voor 17\frac 17: 10=71+310 = 7 \cdot 1 + 3, 30=74+230 = 7 \cdot 4 + 2, 20=72+620 = 7 \cdot 2 + 6, 60=78+460 = 7 \cdot 8 + 4, 40=75+540 = 7 \cdot 5 + 5, 50=77+150 = 7 \cdot 7 + 1: cijfers 1,4,2,8,5,71, 4, 2, 8, 5, 7 en resten 3,2,6,4,5,13, 2, 6, 4, 5, 1. De rest is naar r=1r = 1 teruggekeerd, dus herhalen de zes stappen zich letterlijk voor altijd: 17=0.(142857)\frac 17 = 0.(142857), met de resten in de cyclus 1,3,2,6,4,51, 3, 2, 6, 4, 5.

2. 13\frac 13 in grondtal 22 (r0=1r_0 = 1): 2=30+22 = 3 \cdot 0 + 2, 4=31+14 = 3 \cdot 1 + 1, en r=1r = 1 keert terug: 13=(0.01)2\frac 13 = (0.\overline{01})_2. 516\frac{5}{16} in grondtal 22: 10=160+1010 = 16 \cdot 0 + 10, 20=161+420 = 16 \cdot 1 + 4, 8=160+88 = 16 \cdot 0 + 8, 16=161+016 = 16 \cdot 1 + 0: 516=(0.0101)2\frac{5}{16} = (0.0101)_2, afbrekend. 12\frac 12 in grondtal 33: 3=21+13 = 2 \cdot 1 + 1, en r=1r = 1 keert meteen terug: 12=(0.1)3\frac 12 = (0.\overline{1})_3.

3. De rest van het algoritme na NN stappen is rN=bNpmodqr_N = b^N p \bmod q (formeel bewezen in vraag 14; hier is het de vaststelling dat elke stap de rest met bb vermenigvuldigt en modulo qq reduceert). Alle latere cijfers zijn 00 dan en slechts dan als een zekere rN=0r_N = 0, dus qbNpq \mid b^N p; omdat gcd(p,q)=1\gcd(p, q) = 1, geeft het lemma van Gauss dat qbNq \mid b^N. Deelt qq het getal bNb^N, dan deelt elke priemfactor van qq het getal bNb^N en dus bb (wegens de primaliteit). Omgekeerd, deelt elk priemgetal van q=p1a1prarq = p_1^{a_1} \cdots p_r^{a_r} het getal bb, dan deelt met A=maxiaiA = \max_i a_i elke piaip_i^{a_i} het getal bAb^A, en omdat de piaip_i^{a_i} twee aan twee relatief priem zijn, is qbAq \mid b^A. Voor q=20=225q = 20 = 2^2 \cdot 5 delen beide priemgetallen 1010 (120=0.05\frac{1}{20} = 0.05), maar 232 \nmid 3, zodat 120\frac{1}{20} zich in grondtal 33 eeuwig herhaalt.

4. 12=1<2<4=221^2 = 1 < 2 < 4 = 2^2 geeft s0=1s_0 = 1. Vervolgens is 1.42=1.96<2<2.25=1.521.4^2 = 1.96 < 2 < 2.25 = 1.5^2: 102=14\lfloor 10\sqrt 2 \rfloor = 14 en s1=1.4s_1 = 1.4. Dan 1.412=1.9881<2<2.0164=1.4221.41^2 = 1.9881 < 2 < 2.0164 = 1.42^2: s2=1.41s_2 = 1.41; 1.4142=1.999396<2<2.002225=1.41521.414^2 = 1.999396 < 2 < 2.002225 = 1.415^2: s3=1.414s_3 = 1.414; en 1.41422=1.99996164<2<2.00024449=1.414321.4142^2 = 1.99996164 < 2 < 2.00024449 = 1.4143^2: s4=1.4142s_4 = 1.4142. In elk geval zeggen de getoonde ongelijkheden precies sn2<sn+10ns_n \leq \sqrt 2 < s_n + 10^{-n}, en dat is de definitie van de vloer van 10n210^n \sqrt 2.

5. A0=x=0A_0 = \lfloor x \rfloor = 0 omdat 0x<10 \leq x < 1. Vermenigvuldig An1bn1x<An1+1A_{n-1} \leq b^{n-1} x < A_{n-1} + 1 met bb:

bAn1bnx<bAn1+b.b\,A_{n-1} \leq b^n x < b\,A_{n-1} + b .

Het gehele getal bAn1b\,A_{n-1} is bnx\leq b^n x, dus bAn1Anb\,A_{n-1} \leq A_n; en bnx<bAn1+bb^n x < b\,A_{n-1} + b met bAn1+bb\,A_{n-1} + b geheel dwingt AnbAn1+b1A_n \leq b\,A_{n-1} + b - 1 af. Bijgevolg is 0dn=AnbAn1b10 \leq d_n = A_n - b\,A_{n-1} \leq b - 1: een cijfer.

6. Telescoperen: dkbk=AkbkAk1b(k1)d_k b^{-k} = A_k b^{-k} - A_{k-1} b^{-(k-1)}, dus

k=1ndkbk=AnbnA0=sn.\sum_{k=1}^n d_k b^{-k} = A_n b^{-n} - A_0 = s_n .

Deling van Anbnx<An+1A_n \leq b^n x < A_n + 1 door bnb^n geeft snx<sn+bns_n \leq x < s_n + b^{-n}.

7. Inductie: b0=11b^0 = 1 \geq 1, en bn+1=bbn2(n+1)n+2b^{n+1} = b \cdot b^n \geq 2(n + 1) \geq n + 2. Monotonie: snsn1=dnbn0s_n - s_{n-1} = d_n b^{-n} \geq 0. Elke snxs_n \leq x (vraag 6): xx is een bovengrens van {sn}\{s_n\}. Voor ε>0\varepsilon > 0 levert de archimedische eigenschap een nn met n+1>1εn + 1 > \frac1\varepsilon, dus bn<εb^{-n} < \varepsilon, en dan is sn>xbn>xεs_n > x - b^{-n} > x - \varepsilon wegens vraag 6. Volgens Propositie 10.4 is x=supnsnx = \sup_n s_n.

8. Stel dk=b1d_k = b - 1 voor alle k>Nk > N. Voor n>Nn > N geeft de eindige meetkundige som

sn=sN+(b1)k=N+1nbk=sN+bNbn.s_n = s_N + (b - 1)\sum_{k=N+1}^{n} b^{-k} = s_N + b^{-N} - b^{-n} .

Dus is xsn=sN+bNbnx \geq s_n = s_N + b^{-N} - b^{-n} voor elke nn; laat je de laatste term onder elke ε\varepsilon zakken (vraag 7), dan is xsN+bNx \geq s_N + b^{-N}. Maar vraag 6 op rang NN zegt x<sN+bNx < s_N + b^{-N}: tegenspraak. De rij (dn)(d_n) is eigenlijk.

9. Begrensd: tn(b1)k=1nbk=1bn<1t_n \leq (b-1)\sum_{k=1}^n b^{-k} = 1 - b^{-n} < 1, en (tn)(t_n) is niet-dalend, dus bestaat y=suptny = \sup t_n met 0y10 \leq y \leq 1. Leg nn vast. Voor de tweezijdige afschatting: tnyt_n \leq y is duidelijk. Wegens de eigenlijkheid kies je een m>nm > n met emb2e_m \leq b - 2. Voor pmp \geq m is

tptn=k=n+1pekbk(bnbp)bm<bnbm,t_p - t_n = \sum_{k=n+1}^{p} e_k b^{-k} \leq (b^{-n} - b^{-p}) - b^{-m} < b^{-n} - b^{-m},

waarbij de middelste som minstens bmb^{-m} inboet tegenover het maximum met louter (b1)(b-1)’s; voor pmp \leq m is eveneens tptmtn+bnbmt_p \leq t_m \leq t_n + b^{-n} - b^{-m} (monotonie plus het geval p=mp = m). Bijgevolg is elke tptn+bnbmt_p \leq t_n + b^{-n} - b^{-m}, zodat ytn+bnbm<tn+bny \leq t_n + b^{-n} - b^{-m} < t_n + b^{-n}. (Met n=0n = 0: y<1y < 1, dus y[0,1)y \in \intco{0}{1}.) Nu is bntn=knekbnkb^n t_n = \sum_{k \leq n} e_k b^{n-k} geheel, en bntnbny<bntn+1b^n t_n \leq b^n y < b^n t_n + 1: dus bny=bntn\lfloor b^n y \rfloor = b^n t_n. Ten slotte de cijfers van yy: dn(y)=bntnbbn1tn1=bn(tntn1)=end_n(y) = b^n t_n - b \cdot b^{n-1} t_{n-1} = b^n(t_n - t_{n-1}) = e_n.

10. Vraag 9 zegt: (de waarde van een rij) heeft als cijfers (die rij); de vragen 5–8 zeggen: (de cijfers van xx) vormen een eigenlijke rij waarvan de afknottingen xx als supremum hebben (vraag 7). De twee afbeeldingen zijn in beide volgordes dus de identiteit: het zijn elkaars inverse bijecties tussen [0,1)\intco{0}{1} en de eigenlijke rijen. Hadden twee eigenlijke rijen dezelfde waarde, dan zou de cijferafbeelding erop toepassen ze gelijk maken: uniciteit. Dat is de stelling over de bb-adische ontwikkeling.

11. Zij en=b1e_n = b - 1 voor n>Mn > M, met M0M \geq 0 minimaal. Als in vraag 8 is tn=tM+bMbnt_n = t_M + b^{-M} - b^{-n} voor nMn \geq M, zodat de waarde suptn=tM+bM\sup t_n = t_M + b^{-M} is. Is M=0M = 0, dan is de waarde 0+1=10 + 1 = 1: in grondtal 1010 is 0.999=10.999\dots = 1 exact — niet bij benadering. Is M1M \geq 1, dan geeft de minimaliteit eMb2e_M \leq b - 2, en is de waarde

tM+bM=bMtM+1bM(0,1),t_M + b^{-M} = \frac{b^M t_M + 1}{b^M} \in \intoo{0}{1},

een bb-adische breuk, waarvan de eigenlijke ontwikkeling e1eM1(eM+1)000e_1 \dots e_{M-1}\,(e_M + 1)\,000\dots is (een afbrekende rij is eigenlijk, en haar waarde is hetzelfde getal). Omgekeerd moet een reëel getal met twee voorstellingen er één oneigenlijke hebben (de eigenlijkheid legt de voorstelling vast, vraag 10) en dus van deze vorm zijn. En elke m/bN(0,1)m/b^N \in \intoo{0}{1}, geschreven met laatste cijfer dN0d_N \neq 0, heeft inderdaad de oneigenlijke tweelingvorm d1dN1(dN1)(b1)(b1)d_1 \dots d_{N-1}(d_N - 1)(b-1)(b-1)\dots: precies de bb-adische breuken dragen twee namen, alle andere reële getallen één.

12. Stel dat de rijen tot en met m1m - 1 overeenstemmen, met gemeenschappelijke afknotting P=sm1P = s_{m-1}, en dat dm<emd_m < e_m. Volgens vraag 9 (de strikte bovenafschatting op rang mm) is x<P+dmbm+bm=P+(dm+1)bmP+embmyx < P + d_m b^{-m} + b^{-m} = P + (d_m + 1)b^{-m} \leq P + e_m b^{-m} \leq y, waarbij de laatste stap geldt omdat P+embmP + e_m b^{-m} de afknotting tmyt_m \leq y van yy is. Dus dm<em    x<yd_m < e_m \implies x < y; met omgekeerde rollen em<dm    y<xe_m < d_m \implies y < x; en omdat de rijen op mm verschillen, geldt een van beide. Beide richtingen volgen.

13. Zij z=bxA1[0,1)z = bx - A_1 \in \intco{0}{1} (immers A1bx<A1+1A_1 \leq bx < A_1 + 1). Voor n0n \geq 0 is bnz=bn+1xbnA1b^n z = b^{n+1} x - b^n A_1 met bnA1Zb^n A_1 \in \Z, dus met uK=uK\lfloor u - K \rfloor = \lfloor u \rfloor - K (KK geheel):

An(z)=An+1(x)bnA1(x).A_n(z) = A_{n+1}(x) - b^n A_1(x) .

Bijgevolg is dn(z)=An(z)bAn1(z)=An+1bnA1bAn+bnA1=dn+1(x)d_n(z) = A_n(z) - b\,A_{n-1}(z) = A_{n+1} - b^n A_1 - b\,A_n + b^n A_1 = d_{n+1}(x). Het decimale deel van bxbx draagt dus de verschoven cijfers; na mm iteraties heeft het decimale deel van bmxb^m x de cijfers (dn+m)n1(d_{n+m})_{n \geq 1}.

14. Euclidische deling: bnp=qQn+rnb^n p = q\,Q_n + r_n met 0rn<q0 \leq r_n < q. Deling door qq geeft bnx=Qn+rnqb^n x = Q_n + \frac{r_n}{q} met 0rnq<10 \leq \frac{r_n}{q} < 1, dus Qn=bnx=AnQ_n = \lfloor b^n x \rfloor = A_n, waaruit An=bnprnqA_n = \frac{b^n p - r_n}{q}. Voor de recursie: bnp=b(qAn1+rn1)=q(bAn1)+brn1b^n p = b(q\,A_{n-1} + r_{n-1}) = q\,(b\,A_{n-1}) + b\,r_{n-1}, zodat bnpb^n p en brn1b\,r_{n-1} een veelvoud van qq verschillen: rn=(brn1)modqr_n = (b\,r_{n-1}) \bmod q.

15. Deel brn1b\,r_{n-1} door qq: brn1=qc+rnb\,r_{n-1} = q\,c + r_n met c=brn1/qc = \lfloor b\,r_{n-1}/q \rfloor. Substitutie in de formule van vraag 14 geeft bnp=q(bAn1+c)+rnb^n p = q(b\,A_{n-1} + c) + r_n, en de uniciteit van de euclidische deling identificeert An=bAn1+cA_n = b\,A_{n-1} + c, dat wil zeggen dn=c=brn1/qd_n = c = \lfloor b\,r_{n-1}/q \rfloor. Cijfer nn hangt alleen van rn1r_{n-1} af — de lus van de staartdeling uit Deel I, nu gewaarborgd.

16. De q+1q + 1 resten r0,,rqr_0, \dots, r_q nemen waarden in de verzameling [ ⁣[0,q1] ⁣]\intint{0}{q-1} met qq elementen: volgens het duivenhokprincipe (Gevolg 2.3) vallen er twee samen, zeg rN=rN+Tr_N = r_{N+T} met 0N<N+Tq0 \leq N < N + T \leq q. Omdat rnr_n de rest rn+1r_{n+1} vastlegt (vraag 14), geeft inductie rn+T=rnr_{n+T} = r_n voor alle nNn \geq N; en omdat rn1r_{n-1} het cijfer dnd_n vastlegt (vraag 15), is dn+T=dnd_{n+T} = d_n voor alle nN+1n \geq N + 1. De ontwikkeling van elk rationaal getal is dus uiteindelijk periodiek, met voorperiode q\leq q en periode q\leq q.

17. De cijfers van het decimale deel van bTyb^T y zijn (dn+T)=(dn)(d_{n+T}) = (d_n) (verschuivingslemma, dan de zuivere periodiciteit): dezelfde eigenlijke rij als die van yy. Volgens vraag 10 zijn de waarden gelijk: bTybTy=yb^T y - \lfloor b^T y \rfloor = y, dus (bT1)y=bTy=ATN(b^T - 1)\,y = \lfloor b^T y \rfloor = A_T \in \N en

y=ATbT1,y = \frac{A_T}{b^T - 1} ,

rationaal met een noemer die bT1b^T - 1 deelt; de teller ATA_T is het gehele getal met cijfers d1dTd_1 \dots d_T in grondtal bb. Controle: 0.(142857)=1428579999990.(142857) = \frac{142857}{999999}, en 142857×7=999999142857 \times 7 = 999999, dus dat is 17\frac 17.

18. Is dn+T=dnd_{n+T} = d_n voor n>Nn > N, dan heeft het decimale deel zz van bNxb^N x de cijfers (dN+n)n1(d_{N+n})_{n\geq1} (verschuivingslemma), die zuiver periodiek zijn; volgens vraag 17 is zQz \in \Q. Uit bNx=AN+zb^N x = A_N + z volgt dan x=(AN+z)/bNQx = (A_N + z)/b^N \in \Q. Samen met vraag 16: xx rationaal     \iff de ontwikkeling uiteindelijk periodiek. Het rechterlid noemt het grondtal, het linkerlid niet: periodiciteit in één grondtal is equivalent met rationaliteit, en dus met periodiciteit in elk grondtal.

19. Voor x=1qx = \frac 1q is rn=bnmodqr_n = b^n \bmod q. Is gcd(b,q)=1\gcd(b, q) = 1, dan is rT=r0=1r_T = r_0 = 1 dan en slechts dan als bT1(modq)b^T \equiv 1 \pmod q; zo’n TT bestaat (het duivenhokprincipe geeft bibjb^i \equiv b^j met i<ji < j, en bb is inverteerbaar modulo qq, dus bji1b^{j-i} \equiv 1), en de kleinste — de multiplicatieve orde — maakt de resten, en dus de cijfers, zuiver periodiek met periode TT. Een kleinere periode is onmogelijk: een periode TT' zou (bT1)1qN(b^{T'} - 1)\frac1q \in \N geven (vraag 17), dus qbT1q \mid b^{T'} - 1. Voor q=7q = 7 en b=10b = 10: 10310 \equiv 3, 102210^2 \equiv 2, 103610^3 \equiv 6, 104410^4 \equiv 4, 105510^5 \equiv 5, 1061(mod7)10^6 \equiv 1 \pmod 7: orde 66, en inderdaad heeft 17\frac 17 periode zes.

20. De rij bevat oneindig veel nullen (de cijfers van xx^* zijn grotendeels nul), dus is ze eigenlijk en is xx^* welgedefinieerd (vraag 9). Stel dat de cijfers voorbij NN periodiek zijn met periode TT. Er zijn oneindig veel cijfers gelijk aan 11 (één per driehoeksgetal), dus staat er een 11 op een positie j>Nj > N; de periodiciteit zet dan een 11 op elke positie j+kTj + kT: vanaf jj zijn de gaten tussen opeenvolgende enen hoogstens TT. Maar de enen staan precies op de driehoeksgetallen, waarvan de opeenvolgende gaten (j+1)(j+2)2j(j+1)2=j+1\frac{(j+1)(j+2)}{2} - \frac{j(j+1)}{2} = j + 1 uiteindelijk TT overtreffen: tegenspraak. Niet uiteindelijk periodiek, dus volgens vraag 18 is xQx^* \notin \Q — irrationaliteit, enkel afgelezen aan het ritme van de cijfers.

21. Bij gegeven x<yx < y levert vraag 7 een nn met bn<yxb^{-n} < y - x; zet m=bnx+1m = \lfloor b^n x \rfloor + 1. Dan is bnx<mbnx+1<bnyb^n x < m \leq b^n x + 1 < b^n y, dus x<mbn<yx < \frac{m}{b^n} < y: dichtheid, voor elk grondtal tegelijk (b=2b = 2 geeft Oefening 10.8 terug). Voor pq(0,1)\frac pq \in \intoo{0}{1} in grondtal b=qb = q: het eerste cijfer is qpq=p\lfloor q \cdot \frac pq \rfloor = p, en het decimale deel van qpq=pq \cdot \frac pq = p is 00: alle latere cijfers verdwijnen, een afbrekende ontwikkeling pq=(0.p)q\frac pq = (0.p)_q. Afbreken hangt van het grondtal af; periodiciteit — rationaliteit — niet (vraag 18).

22. Elke ek{1,2}e_k \in \{1, 2\} is een cijfer in grondtal 1010, en de rij eindigt nooit op louter negens: eigenlijk. Haar waarde yy ligt in [0,1)\intco{0}{1} en heeft precies de cijfers (ek)(e_k) (vraag 9). Leg kk vast: het kk-de cijfer van yy is eke_k, gekozen \neq het kk-de cijfer van xkx_k, zodat de eigenlijke rijen van yy en xkx_k verschillen en dus yxky \neq x_k (vraag 10: de codering is injectief). Bijgevolg staat yy op geen enkele lijst: geen enkele afbeelding N[0,1)\N^* \to \intco{0}{1} is surjectief. De reële getallen laten zich, anders dan de rationale, niet opsommen — de overaftelbaarheid, waarvan Hoofdstuk 12 de theorie ontwikkelt.

23. Stemmen de ontwikkelingen tot en met nn overeen, dan hebben xx en yy dezelfde afknotting sns_n, en vraag 6 legt beide in [sn,sn+bn)\intco{s_n}{s_n + b^{-n}}, een interval van lengte bnb^{-n}: xy<bn\abs{x - y} < b^{-n}. Omkering: x=0.1x = 0.1 en y=0.0999y = 0.0999 (afbrekend, dus eigenlijk) voldoen aan xy=104<103\abs{x - y} = 10^{-4} < 10^{-3}, en toch verschillen hun ontwikkelingen al bij het allereerste cijfer. De schuldigen zijn de bb-adische breuken van vraag 11: in hun buurt keert een minieme verschuiving elk getoond cijfer om (0.09990.10000.0999 \to 0.1000), juist omdat zij de reële getallen zijn waar de oneigenlijke tweeling op de loer ligt.

24. p=1p = 1, q=10q = 10, b=2b = 2, r0=1r_0 = 1: 2=100+22 = 10 \cdot 0 + 2, 4=100+44 = 10 \cdot 0 + 4, 8=100+88 = 10 \cdot 0 + 8, 16=101+616 = 10 \cdot 1 + 6, 12=101+212 = 10 \cdot 1 + 2 — en r5=2=r1r_5 = 2 = r_1: de resten doorlopen vanaf index 11 de cyclus (2,4,8,6)(2, 4, 8, 6). Cijfers: d1=0d_1 = 0, daarna het herhalende blok d2d3d4d5=0,0,1,1d_2 d_3 d_4 d_5 = 0, 0, 1, 1:

110=(0.00011)2,\tfrac{1}{10} = (0.0\overline{0011})_2 ,

met voorperiode 11 en periode 44. Volgens vraag 3 zou een afbrekende ontwikkeling in grondtal 22 vergen dat elk priemgetal van 1010 het getal 22 deelt; het priemgetal 55 weigert. Dus is 0.10.1 door geen enkele eindige binaire rij voor te stellen — een computer die eindig veel bits bewaart houdt slechts een afknotting over, en de opgestapelde afknottingsfouten zijn de reden waarom 0.1+0.20.1 + 0.2 in de drijvendekommarekening in de laatste bits van 0.30.3 verschilt.

25. (i) De volledigheid bracht de waarden voort: x=supsnx = \sup s_n en y=suptny = \sup t_n (vragen 7 en 9) — binnen Q\Q alleen zou de eigenlijke rij van 2\sqrt 2 niets benoemen. (ii) De archimedische eigenschap maakte bnb^{-n} uiteindelijk kleiner dan elke ε\varepsilon en dwong de afknottingen zo naar hun supremum toe (vragen 7 en 21). (iii) De uniciteitsclausule van de vloer identificeerde Qn=AnQ_n = A_n in vraag 14 en wettigde elke cijferextractie uK=uK\lfloor u - K \rfloor = \lfloor u \rfloor - K (vraag 13). (iv) Het duivenhokprincipe, toegepast op eindig veel resten, is de enige motor van de periodiciteit (vraag 16). Moraal: eigenlijke rijen coderen [0,1)\intco{0}{1} getrouw en maken van rationaliteit een zichtbaar ritme; maar het optellen van cijferrijen vergt overdrachten die van oneindig ver rechts komen, zodat geen enkele regel in eindig veel stappen zelfs het eerste cijfer van een som berekent — terwijl de supremuminterface van Stelling 10.2 de hele analyse met één axioma bedient. Cijfers zijn een schitterend beeld van R\R; het supremum is haar motor.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst