Vier contactkrachten dekken de meeste alledaagse situaties:
- de normaalkracht van een steunvlak, loodrecht op dat vlak en ervan af gericht;
- de spankracht van een draad, touw of ketting, gericht langs het touw en er naartoe trekkend;
- de wrijving van een oppervlak, de lucht of het water, die het schuiven of de beweging tegenwerkt;
- de stuwkracht van een motor, een straalpijp of een hand, die in de richting van de inspanning duwt.
Voorbeelden
Voorbeeld 6.5 (Inventaris bij een getrokken slee)
Een slee die over de sneeuw wordt getrokken: gewicht (op afstand), normaalkracht van de sneeuw, spankracht van het touw, wrijving die het schuiven tegenwerkt. Niets anders raakt de slee: de inventaris is compleet — altijd eerst het gewicht, daarna één contactkracht per aanrakend voorwerp.
Voorbeeld 6.11 (De ijshockeypuck)
Losgelaten door de stick legt een puck glad ijs af in , rechtdoor met de constante snelheid . Inventaris: gewicht en normaalkracht (de wrijving is verwaarloosbaar). Ze zijn in evenwicht, en het beginsel voorspelt precies de waargenomen beweging: niets duwt de puck vooruit — en dat hoeft ook niet.
Voorbeeld 6.16 (Het boek op de tafel)
Een boek met massa ligt op een tafel: gewicht en normaalkracht . Omdat het in rust is, houdt het gewicht in evenwicht: verticaal, omhoog, . Leg er een tweede boek op en past zich aan — een steunvlak duwt precies zo hard als nodig is.