Definitie 24.2Natuurkunde bovenbouw · Hoofdstuk 24 — Kinematica in twee dimensies
Over een kort interval verplaatst het punt zich over OM(t+Δt)−OM(t); deel door Δt en laat het interval krimpen: dat is de afgeleide uit je wiskundelessen, toegepast op elke coördinaat. De snelheidsvector van M is de afgeleide van zijn plaatsvector, v(t)=(x′(t),y′(t)), in m/s. Haar norm v=x′2+y′2 is de snelheid — het ene getal dat de snelheidsmeter toont.
Voorbeelden
Voorbeeld 24.3(Een drone in horizontale vlucht)
Een drone vliegt met x(t)=4.0t en y(t)=3.0t (meter, seconde): de baan is de rechte y=43x, de snelheidsvector is v=(4.0,3.0) op elk ogenblik, en de snelheid4.02+3.02=5.0m/s is constant.
Voorbeeld 24.10(Remweg)
Een auto met snelheidv0 remt met een constante vertraginga (versnelling −a). Hij staat stil zodra v(t)=−at+v0=0, op ts=v0/a, en heeft dan d=−21ats2+v0ts=v02/(2a) afgelegd. Het kwadraat is de krantenkop van de verkeersveiligheid: de snelheid verdubbelen verviervoudigt de remweg — met a=6.0m/s2 is dat 16m vanaf 50km/h en 64m vanaf 100km/h.