书籍暂未推出简体中文版——当前显示 Nederlands 版。
Aard- en ruimtewetenschappen basisschool en onderbouw · 1–9 年级
3Water op Aarde
Op 7 december 1972 draaiden drie astronauten op weg naar de Maan hun camera terug naar de Aarde. Hun foto werd een van de beroemdste foto’s die ooit zijn gemaakt. Kijk er maar eens naar. Je ziet witte wolken, een beetje bruin en geel land, het witte ijs onderaan — en blauw, overal blauw. Vanuit de ruimte gezien is onze planeet een blauwe planeet.
Wat je al weet
Water kan vast zijn (ijs), vloeibaar, of een gas dat we niet kunnen zien (waterdamp). Vloeibaar water dat in de zon staat, wordt langzaam damp: het verdampt. Als de damp afkoelt, wordt hij weer piepkleine druppeltjes: hij condenseert. Deze veranderingen ken je uit de natuurkundeboeken. In een landschap stroomt water in rivieren en ligt het in meren (Hoofdstuk 2).
3.1 De blauwe planeet
Het grootste deel van de Aarde is bedekt met water. Stel je voor dat we het hele oppervlak van de Aarde in 100 gelijke vierkantjes verdelen. Als we elk vierkantje dat door zee bedekt is blauw kleuren, kleuren we er 71. Maar 29 vierkantjes zijn land.
De grote watervlakten met zout water die het grootste deel van de Aarde bedekken, hebben namen.
Definitie 3.1 (Oceaan en zee)
Een oceaan is een van de heel grote watervlakten met zout water die het grootste deel van de Aarde bedekken en tussen de continenten liggen. Een zee is een kleinere watervlakte met zout water, meestal aan de rand van een oceaan en voor een deel door land omsloten.
Alle oceanen zijn met elkaar verbonden: een boot zou van elke oceaan naar elke andere kunnen varen zonder over land te gaan. Hun namen, en waar ze op een globe liggen, vind je in Hoofdstuk 6.
3.2 Zout water en zoet water
Heb je bij het zwemmen ooit een slok zeewater binnengekregen? Dan weet je het: het smaakt heel zout. Het water van rivieren en meren niet.
Definitie 3.2 (Zout water en zoet water)
In zout water is veel zout opgelost: het is het water van de oceanen en de zeeën. In zoet water zit heel weinig zout: het is het water van de regen, van de meeste rivieren en meren, van het ijs en de sneeuw, en van bronnen.
Voorbeeld 3.3 (Hoe zout is de zee?)
In een fles met één kilogram zeewater — ongeveer één liter — zit ongeveer 35 gram zout. Als we al het water laten verdampen, blijft het zout als witte kristallen op de bodem achter. Zo wordt zeezout gemaakt in zoutpannen aan zee, waar de zon en de wind ondiepe plassen zeewater langzaam laten opdrogen.


Opmerking 3.4 (Zeewater kun je niet drinken)
Mensen en landdieren kunnen geen zeewater drinken: er zit te veel zout in, en wie het drinkt, verliest juist water in plaats van het binnen te krijgen. Zeelui ver op zee, met overal water om zich heen, moesten daarom altijd hun zoete water meenemen.
3.3 Waar is al het water?
Zoet water zit niet alleen in rivieren en meren. Veel ervan is bevroren: in het grote witte ijs van Antarctica en Groenland, en op de hoge bergen. En veel ervan zit verborgen onder onze voeten, in de grond, waar het de piepkleine ruimtes tussen zandkorrels en de spleten in het gesteente vult.
Stel je voor dat we al het water van de Aarde in 100 even grote emmers konden gieten. Hoeveel emmers zou elke soort water vullen?
Propositie 3.5 (Het meeste water op Aarde is zout)
Van 100 emmers met al het water op Aarde zijn er 96 het zoute water van de oceanen. Het zoete water dat we drinken is maar een heel klein deel van al het water: het meeste daarvan zit bevroren in het ijs, of verborgen onder de grond.
3.4 Waar gaat de regen heen?
Als het regent, blijft het water niet liggen waar het valt. Kijk na een bui maar eens naar het schoolplein: een deel van het water stroomt over de grond naar de goten, een deel zakt in de aarde van de bloembedden, en plassen verdwijnen langzaam als de zon weer gaat schijnen.
Methode 3.6 (Een regendruppel volgen)
Om een regendruppel te volgen, stel je drie vragen na elkaar:
- Waar valt hij: op de zee, op een dak, op de grond, op een berg?
- Zakt hij in de grond, stroomt hij over het oppervlak weg, of bevriest hij tot ijs?
- Waar gaat hij daarna heen: naar een rivier, een meer, de zee, de grond, of terug de lucht in?
Uiteindelijk komt elke druppel terug in de zee of in de lucht, en begint de reis opnieuw.
Voorbeeld 3.7 (Een druppel op de berg)
Een regendruppel valt in de winter als sneeuw op een hoge berg. Hij blijft daar bevroren liggen tot de warme dagen van de zomer. Dan smelt hij, stroomt naar beneden in een bergbeek, komt in een rivier terecht, en de rivier neemt hem mee naar zee. Op een zonnige dag verdampt de druppel uit de zee en stijgt hij op in de lucht, waar hij deel wordt van een nieuwe wolk.
3.5 Oefeningen
Oefening 3.1 ★
Zout water of zoet water? De zee; een rivier; regen; een meer in de bergen; een oceaan; het ijs op een berg.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.1.
Zout water: de zee, de oceaan. Zoet water: de rivier, de regen, het meer in de bergen, het ijs op de berg.
Oefening 3.2 ★
Waarom noemen we de Aarde de “blauwe planeet”?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.2.
Omdat het grootste deel van haar oppervlak bedekt is met het blauwe water van de oceanen: vanuit de ruimte gezien ziet ze er blauw uit.
Oefening 3.3 ★
In het rooster van 100 vierkantjes zijn er 71 blauw. Hoeveel vierkantjes zijn land?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.3.
vierkantjes zijn land.
Oefening 3.4 ★
Wat is groter, een oceaan of een zee?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.4.
Een oceaan is groter: een zee is een kleinere watervlakte met zout water, vaak aan de rand van een oceaan.
Oefening 3.5 ★
Kan een zeeman midden op de oceaan het water rond zijn boot drinken? Waarom?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.5.
Nee: het water van de oceaan is zout water, en wie het drinkt, verliest water. De zeeman moet zoet water meenemen.
Oefening 3.6 ★
Noem drie plaatsen waar zoet water te vinden is.
Oefening 3.7 ★★
Hoeveel emmers zijn op het plaatje van de 100 emmers zout water? Hoeveel zijn zoet water (ijs en water onder de grond samen)?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.7.
Zout water: 96 emmers. Zoet water: emmers. (Strikt genomen is een deel van het water onder de grond ook zout; het plaatje telt het mee bij het zoete water.)
Oefening 3.8 ★★
Zet in volgorde, van wat het meeste water bevat naar wat het minste bevat: de rivieren; de oceanen; het ijs en de sneeuw.
Oefening 3.9 ★★
Het regent op een akker. Noem twee dingen die met het water kunnen gebeuren.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.9.
Het kan in de grond zakken; het kan over de grond naar een beek of een rivier stromen; het kan weer verdampen als de zon gaat schijnen.
Oefening 3.10 ★★
Een pan met zeewater blijft vele dagen in de zon staan, tot het water weg is. Wat blijft er op de bodem van de pan achter? Waar is het water gebleven?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.10.
Op de bodem van de pan blijft zout achter. Het water is verdampt: het is als waterdamp de lucht in gegaan.
Oefening 3.11 ★★
Vertel de reis van een regendruppel die op het dak van de school valt, tot hij weer in een wolk zit.