পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 1 · শ্রেণি 1–9

Aard- en ruimtewetenschappen basisschool en onderbouw

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Aard- en ruimtewetenschappen basisschool en onderbouw · শ্রেণি 1–9

1Kijken naar het weer

Het is vroeg in de ochtend. Lena wordt wakker, klimt op de stoel bij het raam van haar slaapkamer en kijkt naar buiten. De lucht is grijs. Kleine waterdruppels lopen langs het glas naar beneden. De daken aan de overkant zijn nat en glimmen, en de boom in de tuin druppelt.

“Wat zal ik vandaag aantrekken?” vraagt ze.

Om dat te weten heeft Lena geen boek en geen apparaat nodig. Ze hoeft alleen uit het raam te kijken. Het raam is haar eerste weerstation.

Een grijze, regenachtige ochtend, gezien door een raam.
Een grijze, regenachtige ochtend, gezien door een raam.

Wat je al weet

Elke ochtend komt de Zon op en begint de dag; elke avond gaat ze onder en wordt het nacht. In de natuurkundeboeken heb je gezien waarom de dag en de nacht elkaar afwisselen. In dit hoofdstuk kijken we naar iets anders dat steeds verandert: het weer.

1.1 Wat is het weer?

Als we naar buiten gaan, voelen we de lucht op ons gezicht. Die kan warm of koud zijn. Ze kan stil zijn, of ze duwt tegen ons haar en onze kleren: dan waait het. We kijken omhoog. De hemel kan blauw en helder zijn, of vol wolken. Soms valt er regen uit de wolken, soms sneeuw. Dat alles samen is het weer.

Definitie 1.1 (Weer)

Het weer is hoe de lucht en de hemel zijn op één plek en op één moment: zonnig of bewolkt, droog of met regen of sneeuw, windstil of winderig, warm of koud.

Om het weer te beschrijven, beantwoorden we een paar eenvoudige vragen:

  1. Hoe ziet de hemel eruit? Is hij blauw en schijnt de Zon? Zijn er een paar wolken, of is alles grijs?
  2. Valt er iets uit de lucht? Regen? Sneeuw? Niets?
  3. Waait het? Bewegen de bladeren van de bomen? Wappert er een vlag?
  4. Is het warm of koud? Hebben we een jas nodig?
Zonnig en warm.
Sneeuw en kou.
Winderig: de vliegers vliegen.
Mist: we kunnen niet ver kijken.

Voorbeeld 1.2 (Mist)

Op sommige ochtenden lijkt de lucht zelf wit, en de bomen aan het eind van de straat lijken te verdwijnen. Dat is mist. Mist is een wolk die de grond raakt. Als het later op de dag warmer wordt, verdwijnt de mist vaak.

1.2 Weersymbolen en de weerkalender

Het weer met woorden beschrijven duurt lang. Mensen die het weer bijhouden, gebruiken daarom kleine tekeningetjes: weersymbolen. Elk symbool is makkelijk te tekenen en makkelijk te herkennen.

Negen weersymbolen. Bij onweer hoort een donkere wolk met een bliksemflits; tussen de buien door schijnt af en toe de Zon.
Negen weersymbolen. Bij onweer hoort een donkere wolk met een bliksemflits; tussen de buien door schijnt af en toe de Zon.

Definitie 1.3 (Weerkalender)

Een weersymbool is een kleine tekening die één soort weer laat zien. Een weerkalender is een tabel waarin we dag na dag opschrijven welk weer we hebben gezien, met weersymbolen.

Een klas kan een hele week een weerkalender bijhouden. Elke ochtend, en elke middag nog een keer, kijkt een kind naar buiten en tekent het symbool in het goede vakje. We schrijven ook op of het warm of koud is.

De weerkalender die een klas een week lang in de lente bijhield.
De weerkalender die een klas een week lang in de lente bijhield.

Methode 1.4 (Een weerkalender lezen)

Zo lees je een weerkalender:

  1. zoek de kolom van de dag die je wilt weten;
  2. kijk in de goede rij: de ochtend of de middag;
  3. zeg welk weer het symbool laat zien.

Wil je weten hoeveel dagen zonnig waren? Ga dan met je vinger langs een rij en tel de zonnetjes.

Voorbeeld 1.5 (De kalender van de klas lezen)

Op de kalender van deze klas was het maandagochtend regenachtig en koud. Op woensdag was het de hele dag zonnig. Op zaterdag maakte de mist van de ochtend ’s middags plaats voor zon. Op de ochtenden van de week tekende de klas op 2 dagen een zon: op woensdag en op donderdag.

1.3 Het weer verandert

Het weer blijft niet hetzelfde. Het verandert in de loop van de dag, van de ene dag op de andere, en in de loop van het jaar.

  • In de loop van één dag. Een grijze ochtend kan een zonnige middag worden. Een helderblauwe ochtend kan eindigen met onweer. Vroeg in de ochtend en ’s nachts is het meestal koeler dan ’s middags.
  • Van de ene dag op de andere. Kijk naar de kalender van de klas: geen twee dagen van de week zijn precies hetzelfde.
  • In de loop van het jaar. In de zomer zijn de dagen meestal warm, in de winter meestal koud; op veel plaatsen valt er alleen in de winter sneeuw. De natuurkundeboeken leggen uit waarom de seizoenen elk jaar terugkomen.
Eén zomerdag, van de ochtend tot de avond: het weer verandert vijf keer.
Eén zomerdag, van de ochtend tot de avond: het weer verandert vijf keer.
Dezelfde boom in de vier seizoenen: bloesem in de lente, dikke groene bladeren in de zomer, vallende oranje bladeren in de herfst, kale takken met sneeuw in de winter.
Dezelfde boom in de vier seizoenen: bloesem in de lente, dikke groene bladeren in de zomer, vallende oranje bladeren in de herfst, kale takken met sneeuw in de winter.

Opmerking 1.6 (Waar de wind vandaan komt)

De wind kunnen we niet zien, maar wel wat hij doet. Een vlag, een windzak of de rook uit een schoorsteen wordt door de wind weggeduwd: ze wijzen naar waar de wind heen gaat, dus de wind komt van de andere kant.

Een windzak en een vlag op een winderige dag. De wind waait van links naar rechts.
Een windzak en een vlag op een winderige dag. De wind waait van links naar rechts.

1.4 Waarom kijken we naar het weer?

Veel mensen moeten weten wat voor weer het wordt.

  • Boeren kijken naar de lucht voordat ze het hooi maaien: regen zou het bederven. In de lente zijn ze bang voor een nacht met vorst, die de jonge plantjes kan doden.
  • Zeelui en vissers letten op de wind: een harde wind maakt hoge golven, en dan blijven de boten in de haven.
  • Piloten moeten van mist, onweer en wind weten voordat een vliegtuig opstijgt.
  • Een klas die een uitstapje naar het bos maakt, wil weten of ze regenjassen of zonnehoedjes moet meenemen.

Elke dag houden mensen die we meteorologen noemen het weer over de hele wereld in de gaten. Op de radio, op de televisie of op een telefoon vertellen ze ons hoe het weer de komende dagen waarschijnlijk wordt.

Voorbeeld 1.7 (Tekens aan de hemel)

Lang voordat er radio’s en telefoons waren, leerden mensen de hemel te lezen. Als kleine witte wolkjes ’s middags uitgroeien tot hoge donkere torens, komt er een bui of onweer aan. Als de wind draait en de hemel langzaam vol raakt met een grijze sluier, volgt er vaak een paar uur later regen. Deze tekens kloppen niet altijd, maar ze zijn vaak nuttig.

1.5 Je kleden naar het weer

Nu kan Lena haar vraag beantwoorden. Het regent en het is koud, dus trekt ze haar regenjas en haar laarzen aan. Morgen is het weer misschien anders, en dan kiest ze opnieuw.

Kleren voor elk soort weer: een regenjas, een zonnehoed, een sjaal en een warme muts, laarzen en sandalen.
Kleren voor elk soort weer: een regenjas, een zonnehoed, een sjaal en een warme muts, laarzen en sandalen.

Methode 1.8 (Kleren kiezen voor het weer)

Kijk naar de hemel en voel de lucht, en dan:

  • regen of buien: een regenjas of een paraplu, en laarzen;
  • kou of sneeuw: een warme jas, een sjaal, een muts en handschoenen;
  • felle zon en hitte: een zonnehoed, lichte kleren, en water om te drinken;
  • wind: een jas die goed sluit; een paraplu helpt dan niet veel.

Veiligheid

Kijk nooit recht in de Zon, zelfs niet heel even, en nooit door een bril, een verrekijker of een camera: je ogen kunnen er voor altijd beschadigd door raken. Bij onweer blijf je binnen of in een auto, ver van hoge bomen en van water, en wacht je tot het onweer voorbij is.

1.6 Oefeningen

Oefening 1.1 ★

Teken het symbool voor elk soort weer: zonnig; regen; sneeuw; bewolkt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.1.

Zonnig: regen: sneeuw: bewolkt: . Elke duidelijke tekening van een zon, een wolk met druppels, een wolk met sneeuwvlokken en een wolk alleen is goed.

Oefening 1.2 ★

Wat voor weer is het op elk van de vier plaatjes van de paragraaf “Wat is het weer?”? Gebruik voor elk plaatje één of twee woorden.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.2.

Het park: zonnig en warm. De straat: sneeuw en kou. De heuvel: winderig (en een paar wolken). Het hek van de school: mist.

Oefening 1.3 ★

Kijk naar de weerkalender van de klas. Wat voor weer was het op dinsdagochtend? Op vrijdagmiddag? Op zondagmiddag?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.3.

Dinsdagochtend: bewolkt. Vrijdagmiddag: buien. Zondagmiddag: regen.

Oefening 1.4 ★

Op welke dag was het volgens de weerkalender van de klas zowel ’s ochtends als ’s middags zonnig?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.4.

Woensdag: zowel ’s ochtends als ’s middags is er een zon getekend. (Op donderdagmiddag staan er zon en wolken.)

Oefening 1.5 ★

Zoek bij elk kledingstuk het weer dat erbij past: een zonnehoed; laarzen en een regenjas; een sjaal en handschoenen. De soorten weer zijn: koud met sneeuw; warm en zonnig; regen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.5.

De zonnehoed past bij warm en zonnig weer; laarzen en een regenjas bij regen; een sjaal en handschoenen bij koud weer met sneeuw.

Oefening 1.6 ★

Lena zegt: “Kijk, de vlag wappert!” Wat voor weer is het?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.6.

Winderig weer: de wind duwt tegen de vlag.

Oefening 1.7 ★

Waar of niet waar? Leg uit.

  1. ’s Ochtends en ’s middags is het weer altijd hetzelfde.
  2. Mist is een wolk die de grond raakt.
  3. De regel “kijk nooit naar de Zon, ook niet met één oog” is een goede regel.
Oplossing

Oplossing van Oefening 1.7.

  1. Niet waar: het weer kan in de loop van de dag veranderen, een grijze ochtend kan bijvoorbeeld een zonnige middag worden.
  2. Waar.
  3. Waar: de Zon is zo fel dat ze het oog voor altijd kan beschadigen, zelfs in een ogenblik.

Oefening 1.8 ★★

Tel op de weerkalender van de klas de middagen met regen of buien. Tel de koude dagen. Was de week vooral warm of vooral koud?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.8.

Middagen met regen of buien: maandag (regen), vrijdag (buien) en zondag (regen), dus 3. Koude dagen: maandag, dinsdag en zondag, dus 3. De andere 4 dagen waren warm, dus de week was vooral warm.

Oefening 1.9 ★★

Dit zag Sam die dag vanuit zijn raam: ’s ochtends een grijze lucht; rond het middageten druppels op het raam; ’s avonds een blauwe lucht met een paar wolkjes. Teken de drie weersymbolen in de goede volgorde.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.9.

Ochtend: (grijze lucht); middageten: (regen); avond: (blauwe lucht met een paar wolkjes).

Oefening 1.10 ★★

Op het plaatje van de windzak en de vlag komt de wind van links. Op een andere dag wijst een vlag naar links. Van welke kant komt de wind op die dag?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.10.

Een vlag wijst naar waar de wind heen gaat. Wijst ze naar links, dan gaat de wind naar links, dus komt hij van rechts.

Oefening 1.11 ★★

Kijk naar de tekening van dezelfde boom in de vier seizoenen. In welk seizoen heeft de boom geen bladeren? In welk seizoen heeft hij bloesem? Welk weersymbool staat bij de winter, en waarom past het bij dat seizoen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.11.

Geen bladeren: in de winter. Bloesem: in de lente. Bij de winter staat het sneeuwsymbool: in de winter is het koud, en op veel plaatsen valt er alleen in dat seizoen sneeuw.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো