Suikers worden covalent aan eiwitten en lipiden gekoppeld tot glycoconjugaten. Een glycoproteïne draagt korte vertakte ketens (een tiental suikers) op een aantal van haar asparagine-, serine- of threonineresiduen, aangebracht in het ER en het golgi-apparaat (Hoofdstuk 6): vrijwel elk afgescheiden eiwit en membraaneiwit is er een. Een proteoglycaan is een eiwitkern met lange onvertakte ketens van zich herhalende zure disachariden, de glycosaminoglycanen (hyaluronaan, chondroïtinesulfaat, heparine), die enorme hoeveelheden water binden en kraakbeen, het glasachtig lichaam en de extracellulaire matrix hun veerkracht geven. Glycolipiden dragen suikers op een lipidestaart in het buitenste blad van de plasmamembraan. Samen met de suikers van glycoproteïnen vormen zij de glycocalyx, de suikerlaag waaraan cellen worden herkend.
Voorbeelden
Voorbeeld 10.12 (Bloedgroepen)
De ABO-bloedgroepen zijn drie versies van één suikerketen op de glycolipiden en glycoproteïnen aan het oppervlak van de rode cel: de O-keten eindigt op fucose; A voegt er een N-acetylgalactosamine aan toe, B een galactose, door twee versies van één enzym; AB-cellen dragen beide. Eén enkel suikerresidu volstaat voor het afweersysteem om eigen van vreemd te onderscheiden, en om een bloedtransfusie te laten slagen of te laten doden.