De plasmamembraan — en elke membraan van de cel — is een lipidedubbellaag van ongeveer dik: twee bladen fosfolipiden (Hoofdstuk 9) met hun hydrofobe staarten naar elkaar toe en hun polaire koppen naar de twee waterige zijden, met cholesterol tussen de staarten, en membraaneiwitten die erin zijn ingebed of eraan vastzitten. In het model van het vloeibare mozaïek (Singer en Nicolson, 1972) is de dubbellaag een tweedimensionale vloeistof waarin lipiden en eiwitten zijdelings diffunderen, en zijn de eiwitten een mozaïek van onafhankelijke eenheden en geen aaneengesloten laag. De twee zijden verschillen: suikers die aan lipiden en eiwitten vastzitten wijzen uitsluitend naar buiten (de glycocalyx), en sommige fosfolipiden blijven tot één blad beperkt.
Voorbeelden
Voorbeeld 7.17 (Cholesterol bezorgen)
Cholesterol reist door het bloed binnen met eiwit beklede deeltjes die voor elke carrier te groot zijn. Een cel die cholesterol nodig heeft, brengt receptoren voor het deeltje tot uitdrukking; deeltje en receptor verzamelen zich in een bekleed putje, dat afsnoert, en het blaasje bezorgt het deeltje bij een lysosoom waar de cholesterol vrijkomt. Iemand van wie de receptoren defect zijn, kan de deeltjes niet opruimen: het bloedcholesterol verdubbelt en de slagaders raken al op jonge volwassen leeftijd verstopt. Eén membraaneiwit, één ziekte.