Het ribosoom is een deeltje van twee subeenheden, elk van ribosomaal RNA en eiwitten (bij bacteriën: een kleine subeenheid van 30S en een grote van 50S, samen 70S, ; eukaryote ribosomen zijn groter, 80S). De kleine subeenheid bindt de boodschapper en decodeert haar; de grote subeenheid houdt de tRNA’s vast en vormt de peptidebinding — de katalysator is het ribosomale RNA zelf. Drie tRNA-plaatsen strekken zich over beide subeenheden uit: A (aminoacyl, waar het volgende geladen tRNA binnenkomt), P (peptidyl, dat de groeiende keten vasthoudt), E (exit).
Voorbeelden
Voorbeeld 19.12 (De getallen van een cel)
Een groeiende E. coli bevat zo’n ribosomen, die er elk twintig residuen per seconde bij zetten: residuen per seconde, een miljoen eiwitten van residuen in een uur — haar eigen inhoud, en dat is wat elk uur verdubbelen vraagt. De helft van haar energie gaat naar de eiwitsynthese. Een levercel bevat tien miljoen ribosomen en maakt eiwitten voor weken gebruik in plaats van voor een deling; een plasmacel, die antistof afscheidt, zet er vrijwel alle in voor één eiwit en stort tweeduizend moleculen per seconde uit.