Een hormoon is een stof die een cel in het bloed afgeeft en die werkt op verre cellen die de receptor ervoor dragen; een paracrien signaal werkt op de buren, een autocrien op de cel die het maakte, en een neurohormoon wordt door een neuron in het bloed afgegeven. De klassieke endocriene klieren — hypofyse, schildklier, bijschildklieren, bijnieren, eilandjes van de alvleesklier, geslachtsklieren — hebben gezelschap gekregen van het hart (natriuretisch peptide), de nier (erytropoëtine), het vet (leptine), de darm (een dozijn peptiden) en het bot. Chemisch zijn hormonen van drie soorten, en de chemie legt het mechanisme vast. Peptide- en eiwithormonen (insuline, groeihormoon, de hormonen van de hypofyse) worden op ribosomen gemaakt, in korrels opgeslagen, door exocytose afgegeven, reizen vrij in het plasma, kunnen geen membraan passeren en werken op receptoren aan het celoppervlak — gekoppeld aan een G-eiwit of aan een kinase — via tweede boodschappers, binnen seconden tot minuten; hun halveringstijden zijn minuten. Steroïden (cortisol, aldosteron, oestrogenen, testosteron, en het secosteroïde vitamine D) worden naar behoefte uit cholesterol gemaakt, niet opgeslagen, reizen gebonden aan transporteiwitten, gaan door membranen heen en binden kernreceptoren die zelf transcriptiefactoren zijn: hun werking kost uren en houdt dagen aan. Aminen staan tussen beide in: adrenaline werkt binnen een seconde aan het oppervlak; de schildklierhormonen werken, hoewel afgeleid van een aminozuur, als steroïden op kernreceptoren. Een hormoon betekent op zichzelf niets: dezelfde adrenaline verwijdt het ene vat en vernauwt het andere omdat hun gladde spieren verschillende receptorsubtypen dragen, en hetzelfde cortisol verhoogt de bloedglucose in de lever en onderdrukt een lymfocyt omdat het chromatine van de twee cellen zijn receptor verschillende genen aanbiedt.
Biologie · Begrippenlijst