Adaptieve afweer berust op lymfocyten: B-cellen, die in het beenmerg rijpen en wier antigeenreceptor een membraangebonden antilichaam is dat zij later uitscheiden; en T-cellen, die in de thymus rijpen en wier receptor peptidefragmenten herkent die op het oppervlak van andere cellen worden getoond. Een antigeen is alles wat een receptor bindt; het deel dat werkelijk wordt geraakt is een epitoop. Het grondfeit is de klonale selectie (Burnet, 1957): elke lymfocyt draagt receptoren van slechts één specificiteit, vastgelegd voordat hij enig antigeen ontmoet; het lichaam houdt een repertoire van zo’n van zulke cellen aan; een antigeen selecteert de weinige cellen wier receptoren passen en drijft ze tot deling in een kloon van effector- en geheugencellen; en lymfocyten wier receptoren op de eigen moleculen van het lichaam passen worden tijdens hun rijping verwijderd of stilgelegd. De cellen circuleren voortdurend tussen het bloed en de lymfeknopen, de milt en het lymfoïde weefsel van de slijmvliezen, waar antigeen wordt getoond dat door dendritische cellen is aangevoerd (Hoofdstuk 15), zodat de zeldzame passende cel — één op honderdduizend voor een gegeven epitoop — het binnen een dag of twee vindt.
Voorbeelden
Voorbeeld 16.7 (Kinetiek van een afweerreactie)
Ongeveer één B-cel op bindt een gegeven epitoop, dus bevatten de B-cellen van een lichaam zo’n voorlopers, waarvan er misschien honderd het antigeen in de afvoerende lymfeknoop ontmoeten. Bij een deling elke acht uur worden honderd cellen in een week . Antilichaam verschijnt na vier tot zes dagen in het serum, IgM het eerst, piekt na ongeveer twee weken en daalt voor IgG met een halveringstijd van drie weken naarmate de kortlevende plasmacellen sterven, tot op het niveau dat de langlevende plasmacellen van het merg jarenlang in stand houden. Een tweede blootstelling begint bij – geheugencellen met hoge affiniteit die al naar IgG zijn gewisseld: het antilichaam stijgt binnen twee dagen, tien- tot honderdvoudig hoger, en neutraliseert de ziekteverwekker voordat die zich kan vestigen — en dat is wat een vaccin oplevert.
Voorbeeld 16.9 (Overgevoeligheid, afweerstoornissen, transplantatie)
Allergie is een Th2-reactie op een onschadelijk antigeen — pollen, pinda, penicilline — die IgE oplevert; bij hernieuwde blootstelling verknoopt het antigeen het IgE op mestcellen, die binnen minuten histamine vrijgeven, en zit het antigeen in het bloed, dan heet die algemene vrijgave anafylaxie, behandeld met adrenaline. Afweerstoornissen: kinderen zonder RAG of zonder het enzym ADA maken geen lymfocyten (ernstige gecombineerde immuundeficiëntie) en sterven aan besmetting tenzij zij merg of gentherapie krijgen; hiv vernietigt de CD4-T-cellen en daarmee de hulp die elke afweerreactie nodig heeft. Transplantatie: de T-cellen van de ontvanger zien de HLA-moleculen van de donor als vreemd, en tot een tiende van alle T-cellen antwoordt — veel meer dan op enige ziekteverwekker — zodat transplantaten op de HLA-loci worden gematcht en de afweer van de ontvanger levenslang wordt onderdrukt; een transplantaat van merg kan omgekeerd zijn nieuwe gastheer aanvallen. En het doelbewuste gebruik: de monoklonale antilichamen van Hoofdstuk 6, de checkpointremmers die T-cellen tegen tumoren loslaten (Hoofdstuk 11), en T-cellen die zijn uitgerust met een chimere receptor voor een tumorantigeen (CAR-T), die leukemieën hebben genezen waaraan niets anders raakte.
Voorbeeld 16.12 (Mazelen en pokken)
Mazelen hebben : , en met een vaccin met een werkzaamheid van na twee doses is de benodigde dekkingsgraad — daarom keren de mazelen terug overal waar de vaccinatie een paar procent verslapt, en daarom is een niet-gevaccineerd kind in een goed gevaccineerd land toch veilig. Pokken hadden –, een drempel rond –, geen dierlijk reservoir, geen symptoomloze dragers en een vaccin dat in één dosis werkte: uitroeibaar, en uitgeroeid. Polio is er bijna. Griep en de coronavirussen, wier antigenen verschuiven (Hoofdstuk 13) en wier immuniteit wegebt, zijn dat niet. In een niet-gevaccineerde bevolking besmet een epidemie met , volgens de relatie voor de einduitkomst, van de mensen; met , .