Een skeletspier is een orgaan dat bestaat uit duizenden lange cellen, de spiervezels, in bundels bijeen; elke vezel wordt korter wanneer een zenuw haar prikkelt. Aan beide uiteinden versmalt de spier tot een pees, een streng niet-samentrekkend weefsel dat aan bot vastzit. Een spier kan alleen trekken, door korter te worden, en alleen in haar eigen richting: zij beweegt een gewricht door aan het bot erachter te trekken.
Voorbeelden
Voorbeeld 9.7 (Een tas vasthouden)
Een tas van (gewicht ) hangt aan de hand, op van de elleboog; de peesaanhechting van de biceps zit op daarvan. De biceps trekt met — zeven keer de last, het gewicht van — en het ellebooggewricht wordt met ongeveer samengedrukt. Spieren, pezen en kraakbeen zijn voor die krachten gebouwd; wat hen beschadigt is een plotselinge kracht in de verkeerde richting, of een belasting die vaker wordt herhaald dan het weefsel kan herstellen.