Biology · Boek 2 · Grades 10–12

Biologie bovenbouw

Biologie bovenbouw · Grades 10–12

9Spieren en gewrichten

Een voetballer zet zijn voet neer, draait, en gaat neer terwijl hij zijn knie vastgrijpt. De diagnose, een uur later: een gescheurde gewrichtsband. Er is geen bot gebroken, geen spier bezweken; een reepje weefsel van enkele centimeters, dat twee botten op één lijn moest houden, is bezweken onder een draaibeweging waarvoor het nooit was gebouwd. Om te begrijpen wat er scheurde, en waarom de knie maanden nodig heeft om te herstellen, moeten we weten waaruit een gewricht bestaat, hoe spieren eraan trekken, en welke krachten erdoorheen gaan wanneer een lichaam van zeventig kilogram op één been landt.

9.1 Het gewricht

Definitie 9.1 (Gewricht)

Een gewricht is de plaats waar twee botten elkaar ontmoeten. In een beweeglijk gewricht zoals de knie, de heup, de schouder of de elleboog zijn de uiteinden van de botten bedekt met een laag glad kraakbeen van enkele millimeters dik, en omsloten door een gesloten zak, het gewrichtskapsel, waarvan de bekleding de gewrichtssmeer afscheidt die de oppervlakken smeert. Banden van taai weefsel, de gewrichtsbanden, lopen van bot naar bot over het gewricht heen en beperken de bewegingen tot de bedoelde. In de knie liggen twee halvemaanvormige stukken kraakbeen, de menisci, tussen de botten en verdelen zij de belasting.

De knie in doorsnede: het dijbeen boven, het scheenbeen onder, de knieschijf ervoor in de pees van de dijspier; kraakbeen op de boteinden, de meniscus ertussen, gewrichtsbanden die de botten bijeenhouden.
De knie in doorsnede: het dijbeen boven, het scheenbeen onder, de knieschijf ervoor in de pees van de dijspier; kraakbeen op de boteinden, de meniscus ertussen, gewrichtsbanden die de botten bijeenhouden.

Propositie 9.2 (Waar elk onderdeel voor dient)

Kraakbeen en gewrichtssmeer laten de oppervlakken met minder wrijving langs elkaar glijden dan ijs op ijs; de menisci verdelen een belasting die zich anders op enkele vierkante millimeters zou samenballen; de gewrichtsbanden laten de knie buigen en strekken maar weerstaan draaien en zijwaarts buigen; het kapsel houdt de smeer binnen. Elk onderdeel heeft zijn eigen manier om te bezwijken: kraakbeen slijt (artrose), een meniscus scheurt bij een draai met gebogen knie, een gewrichtsband verzwikt of scheurt wanneer het gewricht voorbij zijn bereik wordt gedwongen.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 9.3 (Verzwikking, scheur, ontwrichting)

Verzwik een enkel op een stoeprand: de gewrichtsbanden aan de buitenkant worden voorbij hun grens uitgerekt — een verzwikking; het gewricht zwelt op doordat het kapsel bloedt en er vocht ophoopt. Trek hard aan een koude hamstring: een deel van haar vezels scheurt — een spierscheur. Val op een uitgestrekte arm: de kop van het opperarmbeen kan zijn kom verlaten — een ontwrichting, waarbij de gewrichtsbanden en het kapsel worden uitgerekt of scheuren. Geen van alle is een botbreuk; alle kunnen langer duren om te genezen dan een breuk.

9.2 Spieren trekken, en dat in paren

Definitie 9.4 (Skeletspier en pees)

Een skeletspier is een orgaan dat bestaat uit duizenden lange cellen, de spiervezels, in bundels bijeen; elke vezel wordt korter wanneer een zenuw haar prikkelt. Aan beide uiteinden versmalt de spier tot een pees, een streng niet-samentrekkend weefsel dat aan bot vastzit. Een spier kan alleen trekken, door korter te worden, en alleen in haar eigen richting: zij beweegt een gewricht door aan het bot erachter te trekken.

Propositie 9.5 (Antagonistische paren)

Omdat een spier niet kan duwen, vergt elke beweging van een gewricht twee spieren of spiergroepen die tegen elkaar in werken: een buiger die het gewricht buigt en een strekker die het strekt. Trekt de ene samen, dan ontspant de andere en wordt zij uitgerekt; om een houding vast te houden trekken beide tegelijk samen. De biceps buigt de elleboog en de triceps strekt hem; de quadriceps aan de voorkant van het dijbeen strekt de knie, de hamstrings erachter buigen haar.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Een antagonistisch paar bij de elleboog. De biceps, die net voorbij het gewricht aan de onderarm vastzit, wordt korter en buigt de elleboog; de triceps, die achter het gewricht vastzit, ontspant en wordt uitgerekt. Draai de rollen om en de arm strekt zich.
Een antagonistisch paar bij de elleboog. De biceps, die net voorbij het gewricht aan de onderarm vastzit, wordt korter en buigt de elleboog; de triceps, die achter het gewricht vastzit, ontspant en wordt uitgerekt. Draai de rollen om en de arm strekt zich.

Propositie 9.6 (Hefbomen en krachten)

Een bot dat in een gewricht draait, is een hefboom. De pees van de spier zit op een kleine afstand dd van het draaipunt vast, terwijl de last op een grotere afstand DD aangrijpt; voor evenwicht moet de spier trekken met een kracht

Fspier=Flast×Dd,F_{\text{spier}} = F_{\text{last}} \times \frac{D}{d},

enkele keren de last. Die opstelling ruilt kracht in voor snelheid en bereik: een kleine verkorting van de spier levert een grote, snelle beweging van de hand of de voet op, tegen de prijs van grote krachten in de pees en in het gewricht.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 9.7 (Een tas vasthouden)

Een tas van 5kg5\,\mathrm{kg} (gewicht 49N49\,\mathrm{N}) hangt aan de hand, op 35cm35\,\mathrm{cm} van de elleboog; de peesaanhechting van de biceps zit op 5cm5\,\mathrm{cm} daarvan. De biceps trekt met 49×35/5=343N49 \times 35/5 = 343\,\mathrm{N} — zeven keer de last, het gewicht van 35kg35\,\mathrm{kg} — en het ellebooggewricht wordt met ongeveer 300N300\,\mathrm{N} samengedrukt. Spieren, pezen en kraakbeen zijn voor die krachten gebouwd; wat hen beschadigt is een plotselinge kracht in de verkeerde richting, of een belasting die vaker wordt herhaald dan het weefsel kan herstellen.

De onderarm als hefboom: de biceps trekt dicht bij het draaipunt, de last hangt er ver vandaan. F_ spier × d = F_ last × D, dus is de spierkracht D/d = 7 keer de last.
De onderarm als hefboom: de biceps trekt dicht bij het draaipunt, de last hangt er ver vandaan. Fspier×d=Flast×DF_{\text{spier}} \times d = F_{\text{last}} \times D, dus is de spierkracht D/d=7D/d = 7 keer de last.

9.3 Binnen in de spier

Propositie 9.8 (Bouw van een spiervezel)

Een spiervezel is één reuzencel, 1010100µm100\,\text{µ}\mathrm{m} breed en tot enkele centimeters lang, met vele celkernen. Zij is volgepakt met evenwijdige myofibrillen, elk een keten van zich herhalende eenheden waarin twee typen eiwitdraden, dikke en dunne, in elkaar grijpen. Samentrekking is het langs elkaar schuiven van de dunne draden tussen de dikke, aangedreven door ATP: elke eenheid wordt een fractie korter, de myofibril met hun som, en de vezel met haar mee. De mitochondriën tussen de myofibrillen leveren de ATP; een zenuwuiteinde op elke vezel geeft het bevel.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Van de hele spier tot de moleculen die haar korter maken: vijf ordeningsniveaus, elk een bundel van het volgende. Het langs elkaar schuiven van de draden, herhaald over elke eenheid, is de samentrekking.
Van de hele spier tot de moleculen die haar korter maken: vijf ordeningsniveaus, elk een bundel van het volgende. Het langs elkaar schuiven van de draden, herhaald over elke eenheid, is de samentrekking.

Definitie 9.9 (Vezeltypen)

Spiervezels komen in twee hoofdtypen voor. Trage vezels trekken langzaam en zwak samen maar zijn onvermoeibaar: rijk aan mitochondriën en haarvaten, rood door een eiwit dat zuurstof vasthoudt, draaien zij op de ademhaling en overheersen zij in houdingsspieren en bij duursporters. Snelle vezels trekken snel en krachtig samen maar zijn binnen een minuut moe: armer aan mitochondriën, bleker, steunen zij op de fosfaatvoorraad en de gisting en overheersen zij bij sprinters. Het aandeel in een bepaalde spier is grotendeels erfelijk; training verandert eerder de omvang en de uitrusting van de vezels dan hun aantal.

Voorbeeld 9.10 (Een spierbiopt lezen)

Een kleuring voor enzymen van de mitochondriën op een dun plakje dijspier toont een mozaïek: donkere vezels (traag) en bleke vezels (snel). Het monster van een marathonloper is voor 80% donker, dat van een sprinter voor 30%, dat van een ongetraind mens ongeveer half om half. Dezelfde kleuring bij diezelfde loper na een jaar sprinttraining toont de bleke vezels vergroot, maar niet talrijker.

9.4 Vermoeidheid, schade, herstel

Propositie 9.11 (Grenzen van de spier)

Een spier bezwijkt op drie verschillende manieren. Vermoeidheid: de kracht loopt terug wanneer de ATP-aanvoer geen gelijke tred houdt — binnen een minuut bij snelle vezels, over uren bij trage — en herstelt met rust. Kramp: een plotselinge, aanhoudende, onwillekeurige samentrekking, vaak door uitdroging of zoutverlies. Blessure: vezels die scheuren door een kracht boven hun sterkte, meestal wanneer de spier koud of moe is, of wordt uitgerekt terwijl zij samentrekt. Vezels herstellen in weken uit reservecellen in de spier; een pees of gewrichtsband, slecht van bloed voorzien, herstelt in maanden.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Methode 9.12 (Een blessure van spier of gewricht analyseren)

  1. Stel vast welke beweging haar veroorzaakte en in welke richting: werd het gewricht binnen zijn bereik bewogen (een spierprobleem) of erbuiten (een probleem van gewrichtsband of kapsel)?
  2. Stel het weefsel vast: spiervezels scheuren (pijn in de buik van de spier, krachtverlies); gewrichtsbanden verzwikken (pijn en zwelling bij het gewricht, instabiliteit); pezen ontsteken bij herhaalde belasting; kraakbeen slijt in stilte over jaren.
  3. Schat de kracht: gebruik de hefboomregel; bedenk dat landen of afremmen het lichaamsgewicht enkele keren vermenigvuldigt.
  4. Voorspel het herstel uit de bloedvoorziening van het weefsel: spier in weken, gewrichtsband en pees in maanden, kraakbeen nauwelijks.

Opmerking 9.13 (Waarom opwarmen werkt)

Tien minuten rustig bewegen verhoogt de temperatuur van de spieren met een graad of twee, waardoor hun eiwitten rekbaarder en hun enzymen sneller worden; het opent de haarvaten die de zuurstof uit Hoofdstuk 8 zullen aanvoeren, en het verdikt het laagje gewrichtssmeer op het kraakbeen. Een koude spier waarvan een maximale samentrekking wordt gevraagd, is de gewoonste oorzaak van een scheur; een gewricht dat wordt belast voordat zijn smeer zich heeft verspreid, slijt sneller.

9.5 Oefeningen

Oefening 9.1

Noem de onderdelen van een beweeglijk gewricht en geef de rol van elk.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.1.

Kraakbeen op de boteinden (soepel glijden, belasting verdelen); het kapsel (sluit het gewricht af) met zijn gewrichtssmeer (smering); gewrichtsbanden (houden de botten bijeen, beperken de bewegingen); in de knie de menisci (verdelen de belasting).

Oefening 9.2

Wat is het verschil tussen een pees en een gewrichtsband?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.2.

Een pees verbindt een spier met een bot en brengt haar trek over; een gewrichtsband verbindt bot met bot over een gewricht heen en beperkt de beweging ervan. Geen van beide trekt samen.

Oefening 9.3

Waarom heeft elk gewricht ten minste twee spieren nodig om te bewegen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.3.

Een spier kan alleen trekken door korter te worden; duwen kan zij niet. Om een gewricht beide kanten op te bewegen zijn een buiger en een strekker nodig, die elk ongedaan maken wat de ander deed.

Oefening 9.4

Onderscheid een verzwikking, een spierscheur en een ontwrichting naar het betrokken weefsel.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.4.

Verzwikking: een gewrichtsband uitgerekt of gescheurd. Spierscheur: spiervezels gescheurd. Ontwrichting: een booteinde uit zijn gewricht gedwongen, waarbij het kapsel en de gewrichtsbanden worden uitgerekt of scheuren.

Oefening 9.5

Geef twee verschillen tussen trage en snelle spiervezels.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.5.

Trage vezels: langzaam, zwak, onvermoeibaar, rijk aan mitochondriën en haarvaten, rood, draaien op de ademhaling. Snelle vezels: snel, krachtig, binnen een minuut moe, weinig mitochondriën, bleek, draaien op de fosfaatvoorraad en de gisting.

Oefening 9.6 ★★

Een halter van 2kg2\,\mathrm{kg} wordt in de hand gehouden, op 32cm32\,\mathrm{cm} van de elleboog; de biceps hecht op 4cm4\,\mathrm{cm} daarvan aan. Bereken de kracht in de biceps (g=9.8N/kgg = 9.8\,\mathrm{N}/\mathrm{kg}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.6.

Last 2×9.8=19.6N2 \times 9.8 = 19.6\,\mathrm{N}; kracht in de biceps 19.6×32/4157N19.6 \times 32/4 \approx 157\,\mathrm{N}.

Oefening 9.7 ★★

Leg uit waarom de biceps en de triceps allebei moeten samentrekken om de arm stil te houden tegen een onvoorspelbare duw.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.7.

Een duw kan uit beide richtingen komen, en elke spier kan er maar één weerstaan. Trekken beide samen, dan verstijven zij het gewricht in beide richtingen tegelijk; uit welke richting de duw ook komt, een van de twee trekt er al tegenin.

Oefening 9.8 ★★

Een spiervezel van 3cm3\,\mathrm{cm} lang wordt bij samentrekking 20% korter. Hoeveel beweegt de hand als de pees van de vezel op 5cm5\,\mathrm{cm} van de elleboog aanhecht en de hand er 35cm35\,\mathrm{cm} vandaan is?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.8.

De vezel wordt 0.6cm0.6\,\mathrm{cm} korter; de pees verplaatst het bot 0.6cm0.6\,\mathrm{cm} op 5cm5\,\mathrm{cm} van de elleboog, dus verplaatst de hand zich 0.6×35/5=4.2cm0.6 \times 35/5 = 4.2\,\mathrm{cm}.

Oefening 9.9 ★★

Waarom is de schouder, het beweeglijkste gewricht van het lichaam, ook het gewricht dat het vaakst ontwricht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.9.

Beweeglijkheid vergt een ondiepe kom en losse gewrichtsbanden; diezelfde losheid laat de kop van het opperarmbeen de kom verlaten wanneer een kracht hem voorbij het bereik duwt dat de banden kunnen houden.

Oefening 9.10 ★★

De kuitspier van een loper krijgt kramp aan het eind van een warme wedstrijd. Stel twee oorzaken uit het hoofdstuk voor en één remedie.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.10.

Uitdroging en zoutverlies door zweten, en vermoeidheid van de vezels aan het eind van de wedstrijd. Remedie: de spier voorzichtig rekken en water met zout drinken.

Oefening 9.11 ★★

Leg met Voorbeeld 9.10 uit waarom een sprinter die voor een marathon traint, minder vooruitgaat dan een ongetraind iemand van dezelfde leeftijd zou kunnen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.11.

Het dijbeen van de sprinter bestaat voor 70% uit snelle vezels en dat aandeel is grotendeels erfelijk; training vergroot vezels en verbetert hun uitrusting, maar zet hun aantal niet om. De ongetrainde persoon begint half om half en heeft meer trage vezels om te ontwikkelen.

Oefening 9.12 ★★★

Bij het landen na een sprong buigt de knie en draagt de pees van de quadriceps ongeveer vier keer het lichaamsgewicht. Bereken die kracht voor een sporter van 70kg70\,\mathrm{kg}. De pees heeft een doorsnede van ongeveer 1cm21\,\mathrm{cm}^{2} en bezwijkt bij ongeveer 100N/mm2100\,\mathrm{N}/\mathrm{mm}^{2}; hoe ver zit zij van bezwijken af?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.12.

4×70×9.82.7kN4 \times 70 \times 9.8 \approx 2.7\,\mathrm{kN}. Spanning 2744/10027N/mm22744/100 \approx 27\,\mathrm{N}/\mathrm{mm}^{2}: ongeveer een kwart van de breukspanning, een veiligheidsfactor vier.

Oefening 9.13 ★★★

Een gescheurde gewrichtsband geneest in maanden, een gescheurde spier in weken, en beschadigd kraakbeen nauwelijks. Breng die drie in verband met de bloedvoorziening van de weefsels en met de cellen die voor herstel beschikbaar zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.13.

Spier is rijk van bloed voorzien en bevat reservecellen die vezels opnieuw opbouwen: weken. Gewrichtsbanden hebben weinig vaten, dus komen voedingsstoffen en herstelcellen er traag aan: maanden. Kraakbeen heeft helemaal geen bloedvaten en vrijwel geen delende cellen; het wordt alleen door de gewrichtssmeer gevoed en herstelt nauwelijks.

Oefening 9.14 ★★★

Bodybuilding vergroot de spieren; rekken vergroot het bereik van een gewricht. Welk weefsel verandert elk van beide, en waarom verandert geen van beide het aantal vezels?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.14.

Bodybuilding verdikt de vezels (meer myofibrillen in elk) en rekken verlengt de eenheid van spier en pees en de tolerantie van het kapsel. Het aantal vezels ligt vroeg in het leven vast; volwassen spieren groeien of krimpen door de omvang van bestaande vezels te veranderen.

Oefening 9.15 ★★★

Het kniekraakbeen van een oudere is tot de halve dikte gesleten. Leg vanuit het hoofdstuk uit waarom het gewricht pijn doet op de trap, waarom de menisci belangrijker zijn dan vroeger, en waarom de spieren rond de knie deel uitmaken van de behandeling.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.15.

Op de trap draagt het gewricht enkele keren het lichaamsgewicht; dunner kraakbeen brengt die druk over op het bot eronder, dat zenuwen heeft en pijn doet. Met minder kraakbeen zijn de menisci het laatste wat de belasting verdeelt. Sterke spieren rond de knie vangen een deel van de schok op en houden het gewricht stabiel, wat de piekdruk op het resterende kraakbeen verlaagt.

9.6 Probleem: De krachten in een knie

Probleem 9.1

Weekendprobleem — de knie van een voetballer uit elkaar gehaald: de hefboom van het been, de trek van de dijspier, de gewrichtsband die scheurde, en de getallen die een pees bij elke stap draagt

Karim, 70kg70\,\mathrm{kg}, blesseerde zijn knie door scherp te draaien op een vaststaande voet. Neem g=9.8N/kgg = 9.8\,\mathrm{N}/\mathrm{kg}. De pees van de quadriceps hecht op 5cm5\,\mathrm{cm} van het draaipunt van de knie aan het scheenbeen aan; de duw van de grond op de voet grijpt aan op ongeveer 20cm20\,\mathrm{cm} daarvan wanneer de knie flink gebogen is, zoals bij een landing.

Deel I — Staan en stappen.

  1. Bereken het gewicht van Karim.
  2. Bij het staan op één been met licht gebogen knie duwt de grond met zijn hele gewicht omhoog tegen de voet, aangrijpend op 10cm10\,\mathrm{cm} van het draaipunt van de knie. Bereken de kracht in de pees van de quadriceps.
  3. Bij het beklimmen van een trap is de knie verder gebogen en grijpt de grondkracht aan op 20cm20\,\mathrm{cm} van het draaipunt. Bereken de peeskracht opnieuw.
  4. Druk de twee uitkomsten uit als veelvouden van het lichaamsgewicht, en leg uit waarom trappen de dijen vermoeien.
  5. Welke spiergroep is de antagonist van de quadriceps, en wat doet zij tijdens de stap?

Deel II — De landing.

  1. Bij het landen na een kopbal duwt de grond met drie keer het gewicht van Karim, op 20cm20\,\mathrm{cm} van het draaipunt. Bereken de peeskracht.
  2. De doorsnede van de pees is 1.2cm21.2\,\mathrm{cm}^{2}. Bereken de spanning erin, in newton per vierkante millimeter, en vergelijk met de breukspanning van ongeveer 100N/mm2100\,\mathrm{N}/\mathrm{mm}^{2}.
  3. De gewrichtsoppervlakken worden samengedrukt met ongeveer de peeskracht plus de grondkracht. Bereken die belasting, en vervolgens de druk op het kraakbeen als het contactoppervlak 6cm26\,\mathrm{cm}^{2} is met de menisci en 1cm21\,\mathrm{cm}^{2} zonder.
  4. Leid daaruit af waarom een knie die een meniscus heeft verloren, haar kraakbeen sneller slijt.
  5. Leg uit wat de gewrichtssmeer tijdens de landing bijdraagt.

Deel III — De blessure.

  1. De voet van Karim stond vast en zijn lichaam draaide: welke bewegingsrichting werd de knie opgelegd, en welk weefsel is gebouwd om die te weerstaan?
  2. Waarom beschermde de quadriceps, die met enkele kilonewton kan trekken, de gewrichtsband niet?
  3. De knie zwol binnen een uur op. Wat vulde haar, en welk deel van het gewricht was doorbroken?
  4. Een scan toont een gescheurde gewrichtsband en een gescheurde meniscus. Voorspel met Methode 9.12 de hersteltijd van elk en verantwoord dat vanuit hun bloedvoorziening.
  5. Karim vraagt waarom de chirurg zijn hamstrings vóór de operatie wil versterken. Antwoord met Propositie 9.5.

Deel IV — Elke stap telt.

  1. Karim zet ongeveer 8000 stappen per dag; de helft op het geblesseerde been. Hoe vaak per dag draagt de pees met de kracht uit vraag 2 ten minste die belasting?
  2. Wat is het totale aantal belastingen over een jaar? Leg uit waarom een pees die door overbelasting ontstoken is (peesontsteking) rust nodig heeft in plaats van kracht.
  3. Tijdens een wedstrijd landt hij zo’n 40 keer na een sprong. Vergelijk de totale belasting bij de landingen (vraag 6) met die bij de stappen van de dag.
  4. Hardlopen verdubbelt de grondkracht ten opzichte van wandelen. Waarom raden artsen bij een genezende knie fietsen en zwemmen aan in plaats van hardlopen?
  5. Geef het resultaat: het veelvoud van het lichaamsgewicht dat de pees van de quadriceps op een trap en bij een landing draagt, en het ene weefsel van de knie waarvan die getallen de sterkte nooit beproefden — tot aan de draai.
Oplossing

Oplossing van Probleem 9.1.

1. 70×9.8=686N70 \times 9.8 = 686\,\mathrm{N}.

2. 686×10/51.4kN686 \times 10/5 \approx 1.4\,\mathrm{kN}.

3. 686×20/52.7kN686 \times 20/5 \approx 2.7\,\mathrm{kN}.

4. Twee en vier keer het lichaamsgewicht: op elke trede trekt de quadriceps met het gewicht van vier mensen, en daarom branden de dijen bij een lange klim.

5. De hamstrings, aan de achterkant van het dijbeen; zij ontspannen en worden uitgerekt terwijl de quadriceps de knie strekt, en trekken licht samen om het gewricht stabiel te houden.

6. Grondkracht 3×6862.06kN3 \times 686 \approx 2.06\,\mathrm{kN}; peeskracht 2058×20/58.2kN2058 \times 20/5 \approx 8.2\,\mathrm{kN}, twaalf keer het lichaamsgewicht.

7. 8232/12069N/mm28232/120 \approx 69\,\mathrm{N}/\mathrm{mm}^{2}: ongeveer twee derde van de breukspanning. Elke landing gebruikt het grootste deel van de marge van de pees.

8. Belasting 8.2+2.110.3kN8.2 + 2.1 \approx 10.3\,\mathrm{kN}. Met de menisci: 10300/60017N/mm210300/600 \approx 17\,\mathrm{N}/\mathrm{mm}^{2}; zonder: 10300/100103N/mm210300/100 \approx 103\,\mathrm{N}/\mathrm{mm}^{2}, zes keer meer.

9. Zes keer de druk op hetzelfde kraakbeen bij elke landing: het oppervlak wordt sneller vermorzeld dan het kan worden onderhouden, en het slijt.

10. Een laagje vloeistof tussen de kraakbeenvlakken, zodat zij tijdens het buigen zonder droge wrijving langs elkaar glijden, en een lichte demping van de klap.

11. Een draai van het scheenbeen onder het dijbeen, met een zijwaartse buiging: draaiingen waarvoor de knie niet is gebouwd en die de gewrichtsbanden moeten weerstaan.

12. De quadriceps trekt alleen in de lengterichting van het been en strekt de knie; tegen een draai kan zij niets. En de blessure gebeurt in enkele honderdsten van een seconde, sneller dan enige spierreactie.

13. Bloed uit de vaten van de gescheurde gewrichtsband en het kapsel, plus extra gewrichtssmeer: het kapsel was doorbroken of ontstoken en het gewricht liep vol.

14. De gewrichtsband, slecht van bloed voorzien, heeft maanden nodig en vaak een operatie; de gescheurde meniscus, kraakbeen vrijwel zonder vaten, geneest meestal niet en het gescheurde deel wordt bijgeknipt of gehecht.

15. De hamstrings zijn de antagonisten van de quadriceps en trekken het scheenbeen naar achteren; een sterk paar dat samen aanspant, verstijft de knie tegen het naar voren glijden dat de gescheurde band niet meer tegenhoudt, en beschermt het gewricht voor en na de operatie.

16. Ongeveer 4000 keer per dag bij 1.4kN1.4\,\mathrm{kN} of meer.

17. Ongeveer 1.5×1061.5 \times 10^{6} belastingen per jaar. Een peesontsteking is schade die zich sneller ophoopt dan het trage herstel van peesweefsel; alleen rust laat het herstel bijkomen, want kracht verlaagt de belasting van elke stap niet.

18. Landingen 40×8.2330kN40 \times 8.2 \approx 330\,\mathrm{kN} in totaal; stappen 4000×1.45600kN4000 \times 1.4 \approx 5600\,\mathrm{kN} — de stappen dragen zeventien keer meer totale belasting, maar de landingen dragen de pieken die met scheuren dreigen.

19. De grondkracht verdubbelen verdubbelt bij elke pas de krachten in de pees en het gewricht; fietsen en zwemmen laten de spieren werken terwijl zij de knie ver onder het lichaamsgewicht belasten.

20. De pees van de quadriceps draagt vier keer het lichaamsgewicht op een trap en ongeveer twaalf keer bij een landing; de gewrichtsbanden, die door die belastingen nooit worden beproefd, waren het weefsel dat de draai vond.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 479 begrippen in de begrippenlijst