Spiervezels komen in twee hoofdtypen voor. Trage vezels trekken langzaam en zwak samen maar zijn onvermoeibaar: rijk aan mitochondriën en haarvaten, rood door een eiwit dat zuurstof vasthoudt, draaien zij op de ademhaling en overheersen zij in houdingsspieren en bij duursporters. Snelle vezels trekken snel en krachtig samen maar zijn binnen een minuut moe: armer aan mitochondriën, bleker, steunen zij op de fosfaatvoorraad en de gisting en overheersen zij bij sprinters. Het aandeel in een bepaalde spier is grotendeels erfelijk; training verandert eerder de omvang en de uitrusting van de vezels dan hun aantal.
Voorbeelden
Voorbeeld 9.10 (Een spierbiopt lezen)
Een kleuring voor enzymen van de mitochondriën op een dun plakje dijspier toont een mozaïek: donkere vezels (traag) en bleke vezels (snel). Het monster van een marathonloper is voor 80% donker, dat van een sprinter voor 30%, dat van een ongetraind mens ongeveer half om half. Dezelfde kleuring bij diezelfde loper na een jaar sprinttraining toont de bleke vezels vergroot, maar niet talrijker.