De beperkingen
sin:[−2π,2π]→[−1,1],cos:[0,π]→[−1,1],tan:(−2π,2π)→R
zijn strikt monotone bijecties. Hun inverse afbeeldingen worden arcsin, arccos en arctan genoteerd. Zo is bijvoorbeeld y=arcsinx (met x∈[−1,1]) dé hoek in [−2π,2π] waarvan de sinus x is.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.11 (Een verborgen constante herkennen)
Bestudeer g(x)=arctan1+x1−x op (−1,+∞). De kettingregel en een korte berekening geven
g′(x)=1+(1+x1−x)21⋅(1+x)2−(1+x)−(1−x)=(1+x)2+(1−x)2−2=1+x2−1,
want (1+x)2+(1−x)2=2+2x2. Dus g′=−arctan′: de functie g+arctan heeft afgeleide nul op het interval (−1,+∞) en is daar dus constant; haar waarde in x=0 is arctan1+arctan0=4π. Besluit:
arctan1+x1−x=4π−arctanx(x>−1).
Op (−∞,−1) geldt dezelfde berekening van de afgeleide, maar is de constante een andere (−43π: bereken de limiet voor x→−∞). Het inzicht: “afgeleide nul, dus constant” is een uitspraak per interval — precies de subtiliteit die in Oefening 4.6 en Oefening 4.10 uitgebuit wordt.
Voorbeeld 4.14 (Terugvouwen naar het hoofdinterval)
Bereken
arctan(tan43π)enarctan(tan517π).
Het recept: vervang de hoek door de unieke hoek uit (−2π,2π) met dezelfde tangens, dat wil zeggen trek het juiste veelvoud van π af (de periode van tan). Eerst: 43π−π=−4π, dus het antwoord is −4π. Dan: 517π−3π=52π∈(−2π,2π), dus het antwoord is 52π. De berekening is een vermomde euclidische deling van de hoek door π — en de analoge recepten voor arcsin (vouw terug naar [−2π,2π], periode 2π) en arccos (vouw terug naar [0,π]) sturen Oefening 4.1 en het stuksgewijze antwoord van Oefening 4.10.
Voorbeeld 4.15 (Boogtangenten veilig optellen)
We bewijzen
arctan21+arctan51+arctan81=4π.
Twee ingrediënten: de somformule voor de tangens en — de stap die beginners vergeten — een lokalisering van de som. Ten eerste geeft tan(u+v)=1−tanutanvtanu+tanv met u=arctan21 en v=arctan51
tan(u+v)=1−10121+51=9/107/10=97,
en vervolgens
tan(u+v+arctan81)=1−72797+81=65/7265/72=1.
Ten tweede ligt elk van de drie hoeken in (0,4π) (hun argumenten zijn kleiner dan 1), zodat de som in (0,43π) ligt; de enige hoek daar met tangens 1 is 4π. Zonder de lokalisering zou de conclusie “4π op een veelvoud van π na” luiden — een half bewijs. Dezelfde tweestapsdiscipline stuurt Oefening 4.8 en Oefening 4.12.