Tussen zijn drie toestanden heeft water zes deuren, elk met een wetenschappelijke naam:
- vast vloeibaar: smelten; vloeibaar vast: stollen (bevriezen);
- vloeibaar gas: verdamping — razendsnel bij het koken, stil en koel als verdamping aan het oppervlak; gas vloeibaar: condensatie;
- vast gas rechtstreeks: sublimatie, en gas vast rechtstreeks — zeldzamere deuren, maar echt: ijsbloemen op een vriezend raam groeien rechtstreeks uit onzichtbare damp en slaan de vloeistof helemaal over.
Voorbeelden
Voorbeeld 39.2 (Overal deuren om je heen)
Ochtendrijp die van het gras smelt; was die aan de lijn verdampt; een koude spiegel die de damp van je douche laat condenseren; de vriezer die de ijsblokjes van morgen laat stollen; ijsbloemen die ’s nachts op de ruit zijn gegroeid. Eén stof, zes deuren, allemaal binnen één dag gewoon leven — benoem ze en je bezit ze.
Voorbeeld 39.9 (De grote rondreis, met vaktaal)
Het kinderverhaal van zee, wolk en regen leest nu als een grootboek. De warmte van de Zon drijft verdamping vanaf de zeeën aan — tonnen op tonnen stijgen onzichtbaar op. Hoog en koud condenseert de damp tot wolkendruppeltjes; nog kouder bevriezen de druppeltjes tot sneeuw. Sneeuw stapelt zich op tot gletsjers; gletsjers smelten tot rivieren; rivieren brengen elke gram terug naar de zee. Over de hele kringloop geldt Propositie 39.4: de planeet wint noch verliest een druppel — het water in jouw glas heeft deze lus al bevaren van vóór de dinosauriërs.