Natuurkunde · Begrippenlijst

Wat is Dispersierelatie; fasesnelheid?

Definitie 8.1 Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Hoofdstuk 8 — Dispersie en golfpakketten

Een lineair, homogeen en in de tijd onveranderlijk medium laat de vlakke monochromatische golven s=Aei(ωtkx)\underline s = A\,\eu^{\iu(\omega t - kx)} toe (in complexe notatie; het fysische signaal is het reële deel), op voorwaarde dat ω\omega en kk voldoen aan de dispersierelatie van het medium, D(ω,k)=0\mathcal D(\omega, k) = 0, opgelost als k(ω)k(\omega) of ω(k)\omega(k). Voor reële kk loopt de golf zonder vervorming met de fasesnelheid

vφ=ωk.v_\varphi = \frac\omega k .

Het medium heet dispersieloos wanneer vφv_\varphi niet van ω\omega afhangt (dan is ω=ck\omega = ck en plant elk signaal zich onvervormd voort — de vergelijking van d’Alembert), en anders dispersief.

Links: drie dispersierelaties — een rechte lijn voor een dispersieloos medium, de hyperbool van Klein–Gordon met haar afsnijfrequentie, de parabool van golven op diep water. Rechts: voor de relatie van Klein–Gordon overtreft de fasesnelheid c en blijft de groepssnelheid eronder, met v_ v_g = c2. Links: drie dispersierelaties — een rechte lijn voor een dispersieloos medium, de hyperbool van Klein–Gordon met haar afsnijfrequentie, de parabool van golven op diep water. Rechts: voor de relatie van Klein–Gordon overtreft de fasesnelheid c en blijft de groepssnelheid eronder, met v_ v_g = c2.
Links: drie dispersierelaties — een rechte lijn voor een dispersieloos medium, de hyperbool van Klein–Gordon met haar afsnijfrequentie, de parabool van golven op diep water. Rechts: voor de relatie van Klein–Gordon overtreft de fasesnelheid cc en blijft de groepssnelheid eronder, met vφvg=c2v_\varphi v_g = c^2.

Voorbeelden

Voorbeeld 8.2 (Dispersief en dispersieloos)

(i) Een snaar op een elastische bedding (terugdrijvende kracht Ky-Ky per lengte-eenheid, of een keten van slingers), μt2y=Tx2yKy\mu\partial_t^2y = T\partial_x^2y - Ky: ω2=ωc2+c2k2\omega^2 = \omega_c^2 + c^2k^2 met ωc=K/μ\omega_c = \sqrt{K/\mu} — de relatie van Klein–Gordon, dezelfde als die van een plasma en van een golfgeleider (Hoofdstukken 14 en 16): vφ=c/1ωc2/ω2>cv_\varphi = c/\sqrt{1 - \omega_c^2/\omega^2} > c, en er is geen reële kk beneden de afsnijfrequentie ωc\omega_c. (ii) Zwaartekrachtgolven op diep water: ω2=gk\omega^2 = gk (aangenomen), vφ=g/k=gλ/2πv_\varphi = \sqrt{g/k} = \sqrt{g\lambda/2\pi}: lange golven zijn sneller — 12.5m/s12.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s} voor 100m100\,\mathrm{m}, 40m/s40\,\mathrm{m}/\mathrm{s} voor 1km1\,\mathrm{km}. (iii) De keten van atomen, ω=2ω0sin(ka/2)\omega = 2\omega_0|\sin(ka/2)| (Hoofdstuk 6). (iv) Licht in glas, k=n(ω)ω/ck = n(\omega)\omega/c, en daarom spreidt een prisma een spectrum uit.

Voorbeeld 8.7 (Klein–Gordon: sneller dan het licht, en toch niet)

Voor ω2=ωc2+c2k2\omega^2 = \omega_c^2 + c^2k^2 geldt vφ=ω/kv_\varphi = \omega/k en vg=c2k/ωv_g = c^2k/\omega, dus vφvg=c2v_\varphi v_g = c^2: de fasesnelheid overtreft cc (in de ionosfeer bewegen de toppen van een golf van 10MHz10\,\mathrm{MHz} sneller dan het licht), maar de groepssnelheid, die het signaal draagt, blijft eronder. Een fasesnelheid vervoert geen energie en geen informatie — de toppen zijn als de lichtvlek van een vuurtoren die over een verre wolk strijkt.

Lees in het hoofdstuk →