Physics · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

14Elektromagnetische golven in plasma’s, geleiders en diëlektrica

Een kortegolfuitzending steekt een oceaan over door tegen de hoge atmosfeer te kaatsen, die haar als een spiegel terugwerpt — en toch laat diezelfde laag televisie- en satellietsignalen door. Een metalen lepel glimt, een metalen gaas in de deur van een magnetron houdt de golven binnen terwijl u er uw eten doorheen bekijkt, en een glasplaat is doorzichtig voor licht maar ondoorzichtig voor ultraviolet. Telkens komt een golf een materiaal binnen, reageren de ladingen van het materiaal, en verandert hun antwoord de golf: haar snelheid, haar verzwakking, en zelfs of zij zich überhaupt voortplant. Dit hoofdstuk behandelt de drie standaardmodellen van een medium — een gas van vrije elektronen, een ohmse geleider en gebonden elektronen — met de ene methode die hen alle drie aankan: voeg de geïnduceerde stroom toe aan de vergelijkingen van Maxwell en lees de dispersierelatie af.

14.1 Golven in een plasma

Definitie 14.1 (Plasma; het model van vrije elektronen)

Een plasma is een globaal neutraal gas van vrije elektronen (dichtheid nn, massa mm, lading e-e) en positieve ionen, die duizenden keren zwaarder zijn en daarom als vast worden beschouwd. De hoge atmosfeer (ionosfeer, n1011n \sim 10^{11}101210^{12} m3^{-3}), een ontladingsbuis, de zonnecorona, en — bij optische frequenties — de geleidingselektronen van een metaal zijn plasma’s. Botsingen worden verwaarloosd (de periode van de golf is kort ten opzichte van de tijd tussen twee botsingen). De karakteristieke frequentie is de plasmafrequentie

ωp=ne2ε0m,fp=ωp2π9Hz×n[m3]:\omega_p = \sqrt{\frac{ne^2}{\varepsilon_0m}} , \qquad f_p = \frac{\omega_p}{2\pi} \approx 9\,\text{Hz}\times\sqrt{n\,[\text{m}^{-3}]} :

3MHz3\,\mathrm{MHz} tot 9MHz9\,\mathrm{MHz} voor de ionosfeer, 2×1015Hz2 \times 10^{15}\,\mathrm{Hz} (ultraviolet) voor een metaal.

Stelling 14.2 (Dispersierelatie van een plasma)

Voor een transversale VLH-golf E=E0ei(ωtkx)\underline{\vect E} = \underline{\vect E}_0\eu^{\iu(\omega t - kx)} in een plasma trillen de elektronen met v=eE/imω\underline{\vect v} = -e\underline{\vect E}/\iu m\omega en dragen zij de stroomdichtheid j=γE\underline{\vect j} = \underline\gamma\underline{\vect E} met γ=ne2/imω\underline\gamma = ne^2/\iu m\omega; de vergelijkingen van Maxwell geven dan

k2=ω2ωp2c2.k^2 = \frac{\omega^2 - \omega_p^2}{c^2} .

Boven ωp\omega_p plant de golf zich voort, met vφ=c/1ωp2/ω2>cv_\varphi = c/\sqrt{1 - \omega_p^2/\omega^2} > c en vg=c1ωp2/ω2<cv_g = c\sqrt{1 - \omega_p^2/\omega^2} < c, waarbij vφvg=c2v_\varphi v_g = c^2; onder ωp\omega_p is k=iκk = -\iu\kappa met κ=ωp2ω2/c\kappa = \sqrt{\omega_p^2 - \omega^2}/c: de golf is evanescent, dringt over 1/κ1/\kappa door en wordt volledig teruggekaatst (Hoofdstuk 15); het plasma is dan een spiegel. Bij ωωp\omega \gg \omega_p kunnen de elektronen niet meer volgen en is het plasma doorzichtig.

Bewijs. Bewegingsvergelijking m ⁣dv/ ⁣dt=eEm\,\dd\vect v/\dd t = -e\vect E (de magnetische kracht evBevE/cev B \sim evE/c is verwaarloosbaar voor vcv \ll c, en de beweging van de ionen is m/Mm/M keer kleiner): imωv=eE\iu m\omega\underline{\vect v} = -e\underline{\vect E}. Dan is j=nev\underline{\vect j} = -ne\underline{\vect v}. Het plasma blijft neutraal voor een transversale golf (kE=0\vect k\cdot\vect E = 0 geeft ρ=0\rho = 0 via Gauss), zodat Maxwell–Ampère luidt ikB=μ0γE+iωμ0ε0E-\iu\vect k\wedge\underline{\vect B} = \mu_0\underline\gamma\underline{\vect E} + \iu\omega\mu_0\varepsilon_0\underline{\vect E} en Maxwell–Faraday B=kE/ω\underline{\vect B} = \vect k \wedge\underline{\vect E}/\omega; samen geeft dat k2E=μ0(iωγω2ε0)(1)Ek^2\underline{\vect E} = \mu_0(\iu\omega\underline\gamma - \omega^2\varepsilon_0)(-1)\underline{\vect E}, d.w.z. k2=ω2μ0ε0iωμ0γ=(ω2ne2/ε0m)/c2k^2 = \omega^2\mu_0\varepsilon_0 - \iu\omega\mu_0 \underline\gamma = (\omega^2 - ne^2/\varepsilon_0m)/c^2. De snelheden volgen als in Hoofdstuk 8.

Opmerking 14.3 (Waar de energie heen gaat)

De geleidbaarheid is imaginair: jE=0\langle\vect j\cdot\vect E\rangle = 0, de elektronen nemen een halve cyclus lang energie van de golf op en geven die de volgende halve cyclus terug — een verliesvrij medium, waarin de energie van de golf wordt gedeeld tussen de velden en de kinetische energie van de elektronen, en met vgv_g reist. Botsingen voegen een klein reëel deel aan γ\underline\gamma toe en een kleine absorptie: de D-laag van de ionosfeer absorbeert overdag de middengolf, en daarom komen verre AM-zenders ’s nachts binnen.

Voorbeeld 14.4 (De ionosfeer en de radio)

Met n=1×1012m3n = 1 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{-3} in de F-laag is fp=9MHzf_p = 9\,\mathrm{MHz}: kortegolfuitzendingen daaronder worden teruggekaatst (en kunnen tussen de ionosfeer en de grond om de aarde heen hoppen), terwijl FM (100MHz100\,\mathrm{MHz}), televisie en satellietverbindingen erdoorheen gaan. Een golf van 3MHz3\,\mathrm{MHz} dringt slechts 1/κ=c/ωp2ω2=6m1/\kappa = c/\sqrt{\omega_p^2 - \omega^2} = 6\,\mathrm{m} in de laag door voordat zij terugkeert. Een ruimtevaartuig dat de dampkring binnenkomt, is omhuld met een plasma van n1018n \sim 10^{18} m3^{-3}, fp10GHzf_p \sim 10\,\mathrm{GHz}: het radiocontact valt minutenlang weg.

Links: de dispersierelatie van een plasma — geen voortplanting onder _p, en daarboven een hyperbool die de lichtlijn nadert. Rechts: kortegolven onder de plasmafrequentie worden door de ionosfeer teruggekaatst en hoppen om de aarde heen; hogere frequenties ontsnappen de ruimte in. Links: de dispersierelatie van een plasma — geen voortplanting onder _p, en daarboven een hyperbool die de lichtlijn nadert. Rechts: kortegolven onder de plasmafrequentie worden door de ionosfeer teruggekaatst en hoppen om de aarde heen; hogere frequenties ontsnappen de ruimte in.
Links: de dispersierelatie van een plasma — geen voortplanting onder ωp\omega_p, en daarboven een hyperbool die de lichtlijn nadert. Rechts: kortegolven onder de plasmafrequentie worden door de ionosfeer teruggekaatst en hoppen om de aarde heen; hogere frequenties ontsnappen de ruimte in.

14.2 Golven in een ohmse geleider: het huideffect

Stelling 14.5 (Huideffect)

In een ohmse geleider (j=γE\vect j = \gamma\vect E met reële γ\gamma, bij frequenties waar ωτ1\omega\tau \ll 1 en ε0ωγ\varepsilon_0\omega \ll \gamma, dus onder 1×1016Hz\sim1 \times 10^{16}\,\mathrm{Hz} voor koper) is de verplaatsingsstroom verwaarloosbaar en voldoen de velden aan de diffusievergelijking ΔE=μ0γtE\Delta\vect E = \mu_0\gamma\,\partial_t\vect E. Een VLH-golf die de geleider in x=0x = 0 binnenkomt, heeft

k2=iμ0γω,k=1iδ,δ=2μ0γω,\underline k^2 = -\iu\mu_0\gamma\omega , \qquad \underline k = \frac{1 - \iu}\delta , \qquad \delta = \sqrt{\frac2{\mu_0\gamma\omega}} ,

zodat E=E0ex/δei(ωtx/δ)\underline E = E_0\,\eu^{-x/\delta}\eu^{\iu(\omega t - x/\delta)}: zij wordt over de indringdiepte δ\delta gedempt, met een fase die eveneens één radiaal per δ\delta draait — een golflengte 2πδ2\pi\delta en een fasesnelheid ωδc\omega\delta \ll c. De stroom j=γE\vect j = \gamma\vect E blijft opgesloten in een laag met dikte δ\delta onder het oppervlak, en B\vect B loopt 4545{}^{\circ} achter op E\vect E met B=E2/ωδ|B| = |E|\sqrt2/\omega\delta. Voor koper is δ=9.2mm\delta = 9.2\,\mathrm{mm} bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, 0.21mm0.21\,\mathrm{mm} bij 100kHz100\,\mathrm{kHz} en 2.1µm2.1\,\text{µ}\mathrm{m} bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}.

Bewijs. curlB=μ0γE\operatorname{\vect{curl}}\vect B = \mu_0\gamma\vect E (verplaatsingsstroom weggelaten) en curlE=tB\operatorname{\vect{curl}}\vect E = -\partial_t\vect B: de rotatie van de tweede nemen geeft ΔE=μ0γtE-\Delta\vect E = -\mu_0\gamma\partial_t\vect E (de geleider is neutraal, divE=0\operatorname{div} \vect E = 0). Voor ei(ωtkx)\eu^{\iu(\omega t - kx)}: k2=iμ0γωk^2 = -\iu\mu_0\gamma\omega, en i=(1i)/2\sqrt{-\iu} = (1 - \iu)/\sqrt2 geeft k=(1i)/δ\underline k = (1 - \iu)/\delta (de wortel die de geleider in uitdooft). Faraday: B=kE/ω=(1i)E/ωδ\underline B = \underline k\underline E/\omega = (1 - \iu) \underline E/\omega\delta, met modulus 2E/ωδ\sqrt2E/\omega\delta en fase π/4-\pi/4.

Links: het veld in een geleider — een gedempte trilling, uitgedoofd binnen enkele indringdiepten. Rechts: de indringdiepte van koper en van zeewater tegen de frequentie: millimeters bij netfrequentie, micrometers bij gigahertz; de zee laat alleen de langste radiogolven binnen. Links: het veld in een geleider — een gedempte trilling, uitgedoofd binnen enkele indringdiepten. Rechts: de indringdiepte van koper en van zeewater tegen de frequentie: millimeters bij netfrequentie, micrometers bij gigahertz; de zee laat alleen de langste radiogolven binnen.
Links: het veld in een geleider — een gedempte trilling, uitgedoofd binnen enkele indringdiepten. Rechts: de indringdiepte van koper en van zeewater tegen de frequentie: millimeters bij netfrequentie, micrometers bij gigahertz; de zee laat alleen de langste radiogolven binnen.

Voorbeeld 14.6 (Gevolgen van het huideffect)

(i) Een draad met straal aδa \gg \delta voert zijn stroom in een ring met dikte δ\delta: zijn weerstand stijgt van 1/γπa21/\gamma\pi a^2 tot ongeveer 1/γ2πaδ1/\gamma 2\pi a\delta per meter — voor een koperdraad van 1mm1\,\mathrm{mm} vier keer de gelijkstroomwaarde bij 1MHz1\,\mathrm{MHz} en honderd keer bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}. Spoelen voor hoge frequenties gebruiken “litzedraad” (vele geïsoleerde aders) of verzilverde buizen; de geleiders van het elektriciteitsnet zijn gestrengd met een aluminium mantel. (ii) Een metalen kast verzwakt een golf met ed/δ\eu^{-d/\delta} per dikte dd: een aluminium behuizing van 1mm1\,\mathrm{mm} houdt 1MHz1\,\mathrm{MHz} met 100dB100\,\mathrm{dB} tegen maar 50Hz50\,\mathrm{Hz} nauwelijks — voor laagfrequente magnetische velden is ijzer nodig. (iii) Onderzeeërs ontvangen alleen zeer lange radiogolven (δ=2.3m\delta = 2.3\,\mathrm{m} bij 10kHz10\,\mathrm{kHz} in zeewater); mijnen worden opgespoord aan de wervelstromen die een spoel erin opwekt (Hoofdstuk 11, met de diffusietijd μ0γd2\mu_0\gamma d^2).

14.3 Golven in een diëlektricum: het gebonden elektron

Propositie 14.7 (Elastisch gebonden elektron; complexe brekingsindex)

In een isolator is elk elektron aan zijn atoom gebonden: een uitwijking r\vect r uit het evenwicht roept de terugdrijvende kracht mω02r-m\omega_0^2\vect r op en een demping mΓ ⁣dr/ ⁣dt-m\Gamma\,\dd\vect r/\dd t (de energie die wordt uitgestraald of aan het rooster wordt afgegeven). Aangedreven door de golf geldt mr¨=mω02rmΓr˙eEm\ddot{\vect r} = -m\omega_0^2\vect r - m\Gamma\dot{\vect r} - e\vect E; de verplaatste elektronen geven het medium de polarisatie (dipoolmoment per volume-eenheid) P=ner=ε0χ(ω)E\vect P = -ne\vect r = \varepsilon_0\underline\chi(\omega) \underline{\vect E} met de susceptibiliteit

χ(ω)=ωp2ω02ω2+iΓω,ωp2=ne2ε0m,\underline\chi(\omega) = \frac{\omega_p^2}{\omega_0^2 - \omega^2 + \iu\Gamma\omega} , \qquad \omega_p^2 = \frac{ne^2}{\varepsilon_0m} ,

en de gebonden stroom j=tP\vect j = \partial_t\vect P. De vergelijkingen van Maxwell geven dan

k2=ω2c2(1+χ)=ω2c2n2,n=nin,\underline k^2 = \frac{\omega^2}{c^2}\,(1 + \underline\chi) = \frac{\omega^2}{c^2}\,\underline n^2 , \qquad \underline n = n' - \iu n'' ,

met nn' de brekingsindex (fasesnelheid c/nc/n') en nn'' de extinctie (de intensiteit dooft uit als e2nωx/c\eu^{-2n''\omega x/c}). Ver onder een resonantie (ωω0\omega \ll \omega_0, met verwaarloosbare Γ\Gamma) is n21+ωp2/ω02+ωp2ω2/ω04n'^2 \approx 1 + \omega_p^2/\omega_0^2 + \omega_p^2\omega^2/\omega_0^4: de brekingsindex stijgt met de frequentie — normale dispersie, de wet van Cauchy nA+B/λ2n \approx A + B/\lambda^2 — en is de absorptie verwaarloosbaar; nabij ω0\omega_0 absorbeert het medium, en net erboven daalt nn' met ω\omega (anomale dispersie).

Bewijs. Complexe amplitudes: (ω02ω2+iΓω)r=eE/m(\omega_0^2 - \omega^2 + \iu\Gamma\omega)\underline{\vect r} = -e\underline{\vect E} /m; P=ner\underline{\vect P} = -ne\underline{\vect r}. Dan geldt, net als voor het plasma, k2=ω2μ0ε0iωμ0γk^2 = \omega^2\mu_0 \varepsilon_0 - \iu\omega\mu_0\underline\gamma met j=iωP=iωε0χE\underline{\vect j} = \iu\omega\underline{\vect P} = \iu\omega\varepsilon_0 \underline\chi\underline{\vect E}, d.w.z. γ=iωε0χ\underline\gamma = \iu\omega\varepsilon_0\underline\chi: k2=(ω2/c2)(1+χ)k^2 = (\omega^2/c^2) (1 + \underline\chi). (Het plasma is het geval ω0=0\omega_0 = 0, Γ=0\Gamma = 0.) Ontwikkeling: 1/(ω02ω2)(1+ω2/ω02)/ω021/(\omega_0^2 - \omega^2) \approx (1 + \omega^2/\omega_0^2)/\omega_0^2.

Het model van het gebonden elektron (Lorentz): het reële deel van de brekingsindex stijgt met de frequentie onder de resonantie (normale dispersie: violet is trager dan rood in glas), het imaginaire deel piekt bij de resonantie (absorptie), en de brekingsindex daalt door de resonantie heen (anomale dispersie).
Het model van het gebonden elektron (Lorentz): het reële deel van de brekingsindex stijgt met de frequentie onder de resonantie (normale dispersie: violet is trager dan rood in glas), het imaginaire deel piekt bij de resonantie (absorptie), en de brekingsindex daalt door de resonantie heen (anomale dispersie).

Voorbeeld 14.8 (Glas, water, lucht)

Glas heeft zijn elektronische resonanties in het ultraviolet (ω01016\omega_0 \sim 10^{16} rad/s): in het zichtbare is het doorzichtig en dispersief, met n=1.51n = 1.51 bij 700nm700\,\mathrm{nm} en 1.531.53 bij 400nm400\,\mathrm{nm}, genoeg opdat een prisma een regenboog uitspreidt en de pulsen in een vezel uitspreiden (Hoofdstuk 8); in het ultraviolet absorbeert het — u wordt niet bruin achter een raam. Water heeft daarnaast een rotatieresonantie van zijn polaire moleculen nabij 20GHz20\,\mathrm{GHz} (een relaxatie van Debye eerder dan een scherpe lijn): het absorbeert microgolven sterk, wat het eten verwarmt en radar blind maakt in de regen, en het heeft n0n'' \approx 0 in een smal zichtbaar venster — het venster waarvoor ogen zijn geëvolueerd. Lucht, met n1=2.9×104n - 1 = 2.9 \times 10^{-4}, buigt de ondergaande zon nog altijd een halve graad af.

Opmerking 14.9 (Eén vergelijking, drie media)

Elk lineair medium komt de vergelijkingen van Maxwell binnen via zijn geïnduceerde stroom j=γ(ω)E\underline{\vect j} = \underline\gamma(\omega)\underline{\vect E}, en de dispersierelatie is altijd k2=ω2/c2iωμ0γ(ω)\underline k^2 = \omega^2/c^2 - \iu\omega\mu_0\underline\gamma(\omega):

mediumγ(ω)\underline\gamma(\omega)k2\underline k^2
plasmane2/imωne^2/\iu m\omega (imaginair)(ω2ωp2)/c2(\omega^2 - \omega_p^2)/c^2: afsnijding
ohmse geleiderγ\gamma (reëel)iμ0γω-\iu\mu_0\gamma\omega: huideffect
diëlektricumiωε0χ(ω)\iu\omega\varepsilon_0\underline\chi(\omega)(ω2/c2)(1+χ)(\omega^2/c^2)(1 + \underline\chi): brekingsindex

Een metaal is achtereenvolgens alle drie: ohms onder 1×1013Hz1 \times 10^{13}\,\mathrm{Hz}, een (spiegelend) plasma in het zichtbare, en doorzichtig in het verre ultraviolet.

Methode 14.10 (Golven in een medium)

(1) Schrijf de bewegingsvergelijking van de ladingen op en bepaal j=γE\underline{\vect j} = \underline\gamma\underline{\vect E}. (2) Vul die in Maxwell–Ampère in met de VLH-aanzet: k2=ω2/c2iωμ0γ\underline k^2 = \omega^2/c^2 - \iu\omega\mu_0\underline\gamma. (3) Neem de wortel met Imk0\operatorname{Im}k \le 0 (uitdoving in de looprichting) en splits in een reëel deel (voortplanting, vφ=ω/kv_\varphi = \omega/k') en een imaginair deel (verzwakking). (4) Bepaal de regimes in frequentie — voortplantend, evanescent, absorberend — en de karakteristieke frequentie (ωp\omega_p, 1/μ0γδ21/\mu_0\gamma\delta^2, ω0\omega_0). (5) Vind B\vect B uit Faraday en zo nodig de poyntingflux en het gedissipeerde vermogen.

14.4 Oefeningen

Oefening 14.1

Plasmafrequenties voor n=1×1011m3n = 1 \times 10^{11}\,\mathrm{m}^{-3} (’s nachts in de ionosfeer), 1×1012m31 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{-3} (overdag), 1×1018m31 \times 10^{18}\,\mathrm{m}^{-3} (het plasma bij terugkeer in de dampkring), 8.5×1028m38.5 \times 10^{28}\,\mathrm{m}^{-3} (koper) en 1×105m31 \times 10^{5}\,\mathrm{m}^{-3} (de interstellaire ruimte). Wat gaat er telkens doorheen: een AM-zender van 1MHz1\,\mathrm{MHz}, een FM-zender van 100MHz100\,\mathrm{MHz}, een gps-signaal van 1.5GHz1.5\,\mathrm{GHz}, zichtbaar licht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.1.

fp9nf_p \approx 9\sqrt n Hz: 2.8MHz2.8\,\mathrm{MHz}, 9MHz9\,\mathrm{MHz}, 9GHz9\,\mathrm{GHz}, 2.6×1015Hz2.6 \times 10^{15}\,\mathrm{Hz} (λp=115nm\lambda_p = 115\,\mathrm{nm}), 2.8kHz2.8\,\mathrm{kHz}. AM op 1MHz1\,\mathrm{MHz}: alleen door de interstellaire ruimte. FM: door de ionosfeer, niet door het plasma bij terugkeer. Gps: door alles behalve dat plasma. Licht: door alles behalve koper.

Oefening 14.2

Indringdiepte van koper (γ=6.0×107S/m\gamma = 6.0 \times 10^{7}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, 1kHz1\,\mathrm{kHz}, 1MHz1\,\mathrm{MHz} en 1GHz1\,\mathrm{GHz}; van aluminium (3.6×107S/m3.6 \times 10^{7}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}; van zeewater (5S/m5\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) bij 10kHz10\,\mathrm{kHz} en 1GHz1\,\mathrm{GHz}; van vochtige grond (1×102S/m1 \times 10^{-2}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}. Welke radiofrequenties bereiken een onderzeeër op 10m10\,\mathrm{m} diepte?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.2.

Koper: 9.2mm9.2\,\mathrm{mm}, 2.1mm2.1\,\mathrm{mm}, 65µm65\,\text{µ}\mathrm{m}, 2.1µm2.1\,\text{µ}\mathrm{m}; aluminium bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}: 84µm84\,\text{µ}\mathrm{m}; zeewater: 2.3m2.3\,\mathrm{m} bij 10kHz10\,\mathrm{kHz}, 7mm7\,\mathrm{mm} bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}; grond: 5m5\,\mathrm{m} bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}. Een onderzeeër op 10m10\,\mathrm{m} heeft δ10m\delta \gtrsim 10\,\mathrm{m} nodig: onder ongeveer 500Hz500\,\mathrm{Hz}.

Oefening 14.3

Een glassoort voldoet aan n=1.50+4.5×103nm2/λ2n = 1.50 + 4.5 \times 10^{3}\,\mathrm{nm}^{2}/\lambda^2. Brekingsindex bij 400nm400\,\mathrm{nm}, 550nm550\,\mathrm{nm} en 700nm700\,\mathrm{nm}; fasesnelheden; groepsindex ng=nλ ⁣dn/ ⁣dλn_g = n - \lambda\,\dd n/\dd\lambda bij 550nm550\,\mathrm{nm}; hoekspreiding van een witte bundel die onder 4545{}^{\circ} inval het glas in wordt gebroken.

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.3.

n=1.528n = 1.528, 1.5151.515, 1.5091.509; v=1.963v = 1.963, 1.9801.980, 1.987×108m/s1.987 \times 10^{8}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; ng=n+2B/λ2=1.545n_g = n + 2B/\lambda^2 = 1.545. Brekingshoeken arcsin(0.707/n)\arcsin(0.707/n): 27.5727.57{}^{\circ} en 27.9327.93{}^{\circ}: een spreiding van 0.360.36{}^{\circ}.

Oefening 14.4

Een golf van 5MHz5\,\mathrm{MHz} ontmoet een laag met n=2×1011m3n = 2 \times 10^{11}\,\mathrm{m}^{-3}: wordt zij teruggekaatst? Indringdiepte; hetzelfde bij 2MHz2\,\mathrm{MHz}; minimale frequentie die een laag met n=1.5×1012m3n = 1.5 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{-3} doorkruist. Waarom gaan kortegolfbanden met het uur en met de zonnecyclus “open” en “dicht”?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.4.

fp=4.0MHzf_p = 4.0\,\mathrm{MHz}: 5MHz5\,\mathrm{MHz} gaat erdoor; 2MHz2\,\mathrm{MHz} wordt teruggekaatst en dringt c/ωp2ω2=14mc/\sqrt{\omega_p^2 - \omega^2} = 14\,\mathrm{m} door. Voor n=1.5×1012m3n = 1.5 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{-3}: 11MHz11\,\mathrm{MHz}. De dichtheid volgt de ioniserende straling van de zon — uur, seizoen en de elfjarige cyclus — zodat de hoogst bruikbare frequentie daarmee meebeweegt.

Oefening 14.5 ★★

Wisselstroomweerstand. Een koperdraad met straal a=1.0mma = 1.0\,\mathrm{mm}. (a) Gelijkstroomweerstand per meter. (b) Bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}: δ\delta; benaderde weerstand per meter met de stroom opgesloten in een ring met dikte δ\delta; verhouding tot gelijkstroom. (c) Bij 100MHz100\,\mathrm{MHz}. (d) Waarom heeft een spoel van NN windingen van deze draad bij hoge frequentie een kwaliteitsfactor die met NN niet meer verbetert, en wat is litzedraad?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.5.

(a) 1/γπa2=5.3mΩ/m1/\gamma\pi a^2 = 5.3\,\mathrm{m}\Omega/\mathrm{m}. (b) δ=65µm\delta = 65\,\text{µ}\mathrm{m}; R1/γ2πaδ=41mΩ/mR \approx 1/\gamma2\pi a\delta = 41\,\mathrm{m}\Omega/\mathrm{m}, 7.77.7 keer de gelijkstroomwaarde. (c) δ=6.5µm\delta = 6.5\,\text{µ}\mathrm{m}, 0.41Ω/m0.41\,\Omega/\mathrm{m}, 7777 keer. (d) RfR \propto \sqrt f groeit even snel als LωL\omega zodra de huid overheerst, en elke winding voegt weerstand toe; litzedraad bundelt vele geïsoleerde aders die dunner zijn dan δ\delta, zodat al het koper geleidt.

Oefening 14.6 ★★

Afscherming. Een aluminium kast (γ=3.6×107S/m\gamma = 3.6 \times 10^{7}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) van 1.0mm1.0\,\mathrm{mm} dik. Verzwakking van de veldamplitude bij het doorkruisen van de wand, in dB, bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, 10kHz10\,\mathrm{kHz} en 1MHz1\,\mathrm{MHz} (de factor ed/δ\eu^{-d/\delta}, met verwaarlozing van de reflectie aan de oppervlakken). Waarom wordt het magnetische veld van het net met ijzer (hoge permeabiliteit) afgeschermd en niet met koper?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.6.

δAl=11.9\delta_{\text{Al}} = 11.9, 0.840.84, 0.084mm0.084\,\mathrm{mm}: d/δ=0.08d/\delta = 0.08, 1.21.2, 1212: 0.70.7, 1010, 103dB103\,\mathrm{dB}. Bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} is de geleider doorzichtig; ijzer met hoge μr\mu_r leidt de flux om (magnetische afscherming) en verkleint δ\delta bovendien met μr\sqrt{\mu_r}.

Oefening 14.7 ★★

Energie in een plasma. Voor de transversale golf van Stelling 14.2: (a) amplitude van de elektronensnelheid en de kinetische energiedichtheid 12nmv2\tfrac12nm\langle v^2\rangle. (b) Gemiddelde elektrische en magnetische energiedichtheid. (c) Toon aan dat de totale energiedichtheid 12ε0E02(1+)\tfrac12\varepsilon_0E_0^2(1 + \dots) is — bereken de haakjes — en dat Π\langle\Pi\rangle erdoor gedeeld gelijk is aan vgv_g. (d) Welke fractie van de energie zit bij ω=2ωp\omega = 2\omega_p in de elektronen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.7.

(a) v0=eE0/mωv_0 = eE_0/m\omega; 12nmv2=ne2E02/4mω2=14ε0E02ωp2/ω2\tfrac12nm\langle v^2\rangle = ne^2E_0^2/4m\omega^2 = \tfrac14\varepsilon_0 E_0^2\,\omega_p^2/\omega^2. (b) 14ε0E02\tfrac14\varepsilon_0E_0^2 en 14ε0E02(1ωp2/ω2)\tfrac14\varepsilon_0E_0^2(1 - \omega_p^2/ \omega^2). (c) De som is 12ε0E02\tfrac12\varepsilon_0E_0^2 (de haakjes geven 11); Π=E02k/2μ0ω\langle\Pi \rangle = E_0^2k/2\mu_0\omega, en de verhouding is c2k/ω=vgc^2k/\omega = v_g. (d) 1414/12=1/8\tfrac14\cdot\tfrac14 /\tfrac12 = 1/8.

Oefening 14.8 ★★

Dispersie bij een pulsar. Radiopulsen van een pulsar doorkruisen een afstand LL interstellair plasma (nn \ll alles, ωωp\omega \gg \omega_p). (a) Toon aan dat de groepsvertraging t(L/c)(1+ωp2/2ω2)t \approx (L/c)(1 + \omega_p^2/2\omega^2) bedraagt. (b) Het verschil in aankomst tussen f1f_1 en f2f_2 is Δt=e28π2ε0mcnL(1f121f22)\Delta t = \dfrac{e^2}{8\pi^2 \varepsilon_0mc}\,nL\Bigl(\dfrac1{f_1^2} - \dfrac1{f_2^2}\Bigr): bereken de constante. (c) Een pulsar op L=1kpc=3.1×1019mL = 1\,\mathrm{kpc} = 3.1 \times 10^{19}\,\mathrm{m} door n=3×104m3n = 3 \times 10^{4}\,\mathrm{m}^{-3}: vertraging tussen 400MHz400\,\mathrm{MHz} en 1.4GHz1.4\,\mathrm{GHz}. (d) Astronomen meten Δt\Delta t en kennen nn: wat krijgen zij dan? (De dispersiemaat, de standaardafstandsmeter voor pulsars.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.8.

(a) 1/vg=(1/c)(1ωp2/ω2)1/2(1+ωp2/2ω2)/c1/v_g = (1/c)(1 - \omega_p^2/\omega^2)^{-1/2} \approx (1 + \omega_p^2/2\omega^2)/c. (b) Δt=(Lωp2/2c)(1/ω121/ω22)\Delta t = (L\omega_p^2/2c)(1/\omega_1^2 - 1/\omega_2^2) met ωp2=ne2/ε0m\omega_p^2 = ne^2/\varepsilon_0m en ω=2πf\omega = 2\pi f: constante e2/8π2ε0mc=1.34×107e^2/8\pi^2\varepsilon_0mc = 1.34 \times 10^{-7}\, (SI). (c) nL=9.3×1023m2nL = 9.3 \times 10^{23}\,\mathrm{m}^{-2}, (1/f121/f22)=5.7×1018s2(1/f_1^2 - 1/f_2^2) = 5.7 \times 10^{-18}\,\mathrm{s}^{2}: Δt=0.72s\Delta t = 0.72\,\mathrm{s}. (d) De kolom nLnL (de dispersiemaat), en daarmee de afstand bij een model voor nn.

Oefening 14.9 ★★

Een spectraallijn. In een ijl gas (n1+χ/2\underline n \approx 1 + \underline\chi/2) geeft het model van Lorentz n=12Imχn'' = \tfrac12\operatorname{Im}\underline\chi. (a) Toon aan dat nabij ω0\omega_0 geldt nωp24ω0Γ/2(ω0ω)2+Γ2/4n'' \approx \dfrac{\omega_p^2}{4\omega_0}\,\dfrac{\Gamma/2}{(\omega_0 - \omega)^2 + \Gamma^2/4}, een lorentzprofiel met volle breedte Γ\Gamma. (b) Absorptiecoëfficiënt α=2nω/c\alpha = 2n''\omega/c in het midden. (c) Natriumdamp, n=1×1017m3n = 1 \times 10^{17}\,\mathrm{m}^{-3}, λ0=589nm\lambda_0 = 589\,\mathrm{nm}, Γ=6×107s1\Gamma = 6 \times 10^{7}\,\mathrm{s}^{-1}: α\alpha in het midden en de dikte die 90%90\% absorbeert (verwaarloos de dopplerverbreding, die de lijn in werkelijkheid honderdvoudig verbreedt). (d) Schets n1n' - 1 over de lijn heen; waar is de dispersie anomaal?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.9.

(a) Imχ=ωp2Γω/[(ω02ω2)2+Γ2ω2]\operatorname{Im}\underline\chi = \omega_p^2\Gamma\omega/[(\omega_0^2 - \omega^2)^2 + \Gamma^2\omega^2] met ω02ω22ω0(ω0ω)\omega_0^2 - \omega^2 \approx 2\omega_0(\omega_0 - \omega): n=12Imχn'' = \tfrac12\operatorname{Im}\underline\chi is het genoemde lorentzprofiel. (b) n(ω0)=ωp2/2ω0Γn''(\omega_0) = \omega_p^2/2\omega_0\Gamma, α=2nω0/c=ωp2/Γc\alpha = 2n''\omega_0/c = \omega_p^2/\Gamma c. (c) ωp2=3.2×1020s2\omega_p^2 = 3.2 \times 10^{20}\,\mathrm{s}^{-2}: α=1.8×104m1\alpha = 1.8 \times 10^{4}\,\mathrm{m}^{-1}; ln10/α=0.13mm\ln10/\alpha = 0.13\,\mathrm{mm}. (d) n1(ω0ω)/[(ω0ω)2+Γ2/4]n' - 1 \propto (\omega_0 - \omega)/[(\omega_0 - \omega)^2 + \Gamma^2/4]: positief eronder, negatief erboven, en dalend binnen ±Γ/2\pm\Gamma/2 van de lijn — daar is zij anomaal.

Oefening 14.10 ★★★

Warmte van Joule in de huid. Een golf E0eiωtE_0\eu^{\iu\omega t} (langs yy) komt een geleider binnen die x>0x > 0 vult. (a) Schrijf E(x,t)\underline E(x, t) op en leid B(x,t)\underline B(x, t) (langs zz) uit Faraday af. (b) Gemiddelde poyntingvector aan het oppervlak: toon aan dat Πx(0)=E02/2μ0ωδ\langle\Pi_x(0)\rangle = E_0^2/2\mu_0\omega\delta. (c) Gemiddeld vermogen van Joule per oppervlakte-eenheid, 012γE2 ⁣dx\int_0^\infty\tfrac12\gamma|\underline E|^2\dd x: toon aan dat het gelijk is aan (b). (d) Druk het resultaat uit als 12RsH02\tfrac12R_sH_0^2 met H0=B0/μ0H_0 = B_0/\mu_0 het magnetische veld aan het oppervlak en Rs=1/γδR_s = 1/\gamma\delta de oppervlakteweerstand; waarde voor koper bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}, en het verlies van een microgolftrilholte waarvan de wanden H0=100A/mH_0 = 100\,\mathrm{A}/\mathrm{m} dragen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.10.

(a) E=E0ex/δei(ωtx/δ)\underline E = E_0\eu^{-x/\delta}\eu^{\iu(\omega t - x/\delta)}, B=kE/ω=(1i)E/ωδ\underline B = \underline k\underline E/\omega = (1 - \iu)\underline E/\omega\delta. (b) Πx=12Re(EB)/μ0=E02/2μ0ωδ\langle\Pi_x\rangle = \tfrac12\operatorname{Re}(\underline E \underline B^*)/\mu_0 = E_0^2/2\mu_0\omega\delta in x=0x = 0. (c) 012γE02e2x/δ ⁣dx=γE02δ/4=E02/2μ0ωδ\int_0^\infty\tfrac12\gamma E_0^2 \eu^{-2x/\delta}\dd x = \gamma E_0^2\delta/4 = E_0^2/2\mu_0\omega\delta met γ=2/μ0ωδ2\gamma = 2/\mu_0\omega\delta^2. (d) H0=2E0/μ0ωδH_0 = \sqrt2E_0/\mu_0\omega\delta, zodat 12RsH02=E02/γμ02ω2δ3=E02/2μ0ωδ\tfrac12R_sH_0^2 = E_0^2/\gamma\mu_0^2\omega^2\delta^3 = E_0^2/2\mu_0\omega\delta. Koper bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}: Rs=1/γδ=8mΩR_s = 1/\gamma\delta = 8\,\mathrm{m}\Omega; 12×8×103×104=40W/m2\tfrac12 \times 8 \times 10^{-3} \times 10^4 = 40\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

Oefening 14.11 ★★★

Waarom metalen glanzen. Behandel de geleidingselektronen van zilver (n=5.9×1028m3n = 5.9 \times 10^{28}\,\mathrm{m}^{-3}) bij optische frequenties als een botsingsvrij plasma. (a) ωp\omega_p en de bijbehorende golflengte. (b) Bij 500nm500\,\mathrm{nm} is kk imaginair — indringdiepte; de golf wordt volledig teruggekaatst (in dit model zonder absorptie): zilver is een spiegel. (c) En bij 200nm200\,\mathrm{nm}? Vandaar de “ultraviolette doorzichtigheid” van alkalimetalen. (d) Echt zilver kaatst 95%95\% terug en goud oogt geel: wat mist het model (denk aan botsingen, en aan gebonden elektronen waarvan de resonanties bij goud in het zichtbare liggen)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.11.

(a) ωp=1.4×1016rad/s\omega_p = 1.4 \times 10^{16}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, λp=2πc/ωp=140nm\lambda_p = 2\pi c/\omega_p = 140\,\mathrm{nm}. (b) ω=3.8×1015rad/s<ωp\omega = 3.8 \times 10^{15}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s} < \omega_p: 1/κ=c/ωp2ω2=23nm1/\kappa = c/\sqrt{\omega_p^2 - \omega^2} = 23\,\mathrm{nm}, totale reflectie. (c) Nog altijd onder ωp\omega_p: spiegelend; doorzichtigheid pas voorbij 140nm140\,\mathrm{nm} (bij natrium 210nm210\,\mathrm{nm}). (d) Botsingen geven γ\underline\gamma een reëel deel en enkele procenten absorptie; resonanties van gebonden elektronen in het zichtbare (goud, koper) slikken het blauw en kleuren het metaal.

Oefening 14.12 ★★★

Water in de magnetron. De oriëntatie van de polaire watermoleculen geeft een susceptibiliteit χ=χs/(1+iωτ)\underline\chi = \chi_s/(1 + \iu\omega\tau) (relaxatie van Debye), met χs80\chi_s \approx 80 en τ=8ps\tau = 8\,\mathrm{ps}, boven op een constante χ4\chi_\infty \approx 4. (a) Reëel en imaginair deel van εr=1+χ+χ\underline\varepsilon_r = 1 + \chi_\infty + \underline\chi bij 2.45GHz2.45\,\mathrm{GHz} en bij 20GHz20\,\mathrm{GHz}. (b) Complexe brekingsindex en de absorptielengte 1/(2nω/c)1/(2n''\omega/c) van de intensiteit bij 2.45GHz2.45\,\mathrm{GHz}: hoe diep kookt een oven? (c) Geabsorbeerd vermogen per volume-eenheid voor een veldamplitude E0E_0 in het water: 12ωε0εE02\tfrac12\omega\varepsilon_0\varepsilon''E_0^2; waarde voor E0=2kV/mE_0 = 2\,\mathrm{kV}/\mathrm{m}. (d) Waarom wordt 2.45GHz2.45\,\mathrm{GHz} gebruikt en niet de 20GHz20\,\mathrm{GHz} van de maximale absorptie?

Oplossing

Oplossing van Oefening 14.12.

(a) ωτ=0.12\omega\tau = 0.12: εr=849.7i\underline\varepsilon_r = 84 - 9.7\iu; bij 20GHz20\,\mathrm{GHz} is ωτ=1\omega\tau = 1: 4540i45 - 40\iu. (b) n9.20.53i\underline n \approx 9.2 - 0.53\iu; c/2nω=1.8cmc/2n''\omega = 1.8\,\mathrm{cm}: de oven kookt de buitenste twee centimeter, de rest doet de geleiding. (c) 12×1.54×1010×8.85×1012×9.7×4×106=2.6MW/m3\tfrac12 \times 1.54 \times 10^{10} \times 8.85 \times 10^{-12} \times 9.7 \times 4 \times 10^6 = 2.6\,\mathrm{MW}/\mathrm{m}^{3}. (d) Bij 20GHz20\,\mathrm{GHz} zou de absorptielengte een millimeter zijn: alleen de buitenlaag zou koken; 2.45GHz2.45\,\mathrm{GHz} dringt door, en is een vrije band.

Een kortegolfzender in de schemering: haar golven, enkele megahertz onder de plasmafrequentie van de ionosfeer, staan op het punt duizend kilometer verderop naar de grond te worden teruggekaatst.
Een kortegolfzender in de schemering: haar golven, enkele megahertz onder de plasmafrequentie van de ionosfeer, staan op het punt duizend kilometer verderop naar de grond te worden teruggekaatst.
Het zuiderlicht, gefotografeerd vanaf het internationale ruimtestation: deeltjes van de zon, geleid door het magnetische veld van de aarde, wekken het plasma van de hoge atmosfeer op — de ionosfeer waarvan de plasmafrequentie radiogolven terugkaatst (NASA).
Het zuiderlicht, gefotografeerd vanaf het internationale ruimtestation: deeltjes van de zon, geleid door het magnetische veld van de aarde, wekken het plasma van de hoge atmosfeer op — de ionosfeer waarvan de plasmafrequentie radiogolven terugkaatst (NASA).

14.5 Vraagstuk: De ionosfeer, de ovendeur en het prisma

Probleem 14.1

Weekendvraagstuk — drie materialen zoals een golf ze ziet: het plasma dat gps-signalen afbuigt, het metaal dat microgolven binnenhoudt, en het glas dat wit licht uitspreidt

Deel I — De ionosfeer en gps. Elektronendichtheid in de F-laag n=1×1012m3n = 1 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{-3}; de totale elektronenkolom langs een verticale weg is overdag NT=n ⁣dz=2×1017m2N_T = \int n\,\dd z = 2 \times 10^{17}\,\mathrm{m}^{-2}. Gps: f1=1575MHzf_1 = 1575\,\mathrm{MHz}, f2=1228MHzf_2 = 1228\,\mathrm{MHz}.

  1. Plasmafrequentie van de F-laag; komt gps erdoor? En een kortegolf van 5MHz5\,\mathrm{MHz}?
  2. Toon aan dat voor ωωp\omega \gg \omega_p de groepssnelheid vgc(1ωp2/2ω2)v_g \approx c(1 - \omega_p^2/2\omega^2) is en de fasesnelheid c(1+ωp2/2ω2)c(1 + \omega_p^2/2\omega^2).
  3. Extra groepsvertraging van het gps-signaal dat de laag doorkruist: toon aan dat Δt=e28π2ε0mcNTf2\Delta t = \dfrac{e^2}{8\pi^2\varepsilon_0mc}\,\dfrac{N_T}{f^2} en bereken die voor f1f_1; de afstandsfout cΔtc\,\Delta t.
  4. De ontvanger gebruikt beide frequenties: uit de twee vertragingen haalt hij de fout weg. Druk NTN_T uit in Δt1Δt2\Delta t_1 - \Delta t_2; welke nauwkeurigheid op het verschil van de vertragingen geeft NTN_T op 1%1\%?
  5. Hoeveel extra perioden van de draaggolf komt de vertraging van vraag 3 overeen bij f1f_1?
  6. De fase van de draaggolf loopt evenveel voor als de groep achterloopt: waarom (tekens van de twee correcties)? Welke van de twee telt voor een ontvanger die perioden van de draaggolf telt?
  7. ’s Nachts daalt NTN_T tienvoudig: fout voor een ontvanger met één frequentie, overdag en ’s nachts.
  8. Een zonnevlam brengt nn in de D-laag (80km80\,\mathrm{km}) op 1×1010m31 \times 10^{10}\,\mathrm{m}^{-3} met veel botsingen: welke radiodiensten worden getroffen, en waarom verslechtert gps maar weinig?

Deel II — De ovendeur. De wanden van de holte en het gaas in de deur zijn van staal (γ=1.0×106S/m\gamma = 1.0 \times 10^{6}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}); de gaten in het gaas zijn 1.0mm1.0\,\mathrm{mm} breed in een plaat van 0.5mm0.5\,\mathrm{mm} dik; f=2.45GHzf = 2.45\,\mathrm{GHz}, P=800WP = 800\,\mathrm{W}.

  1. Indringdiepte in het staal bij 2.45GHz2.45\,\mathrm{GHz}; is de wand “dik”?
  2. Oppervlakteweerstand Rs=1/γδR_s = 1/\gamma\delta; bij een magnetisch veld aan het oppervlak met amplitude H0=30A/mH_0 = 30\,\mathrm{A}/\mathrm{m} op de wanden (1m21\,\mathrm{m}^{2}): vermogen dat in de wanden verloren gaat, 12RsH02\tfrac12R_sH_0^2 per oppervlakte-eenheid; fractie van PP.
  3. In een gat met breedte aλa \ll \lambda kan het veld zich niet voortplanten (het gat is een golfgeleider onder de afsnijfrequentie, Hoofdstuk 16): het dooft uit als eπz/a\eu^{-\pi z/a} over de dikte zz. Verzwakking van de amplitude over de plaat van 0.5mm0.5\,\mathrm{mm}, in dB.
  4. Waarom kunt u door het gaas heen kijken (golflengte van licht tegen de gatgrootte) terwijl de microgolven er niet uit kunnen?
  5. Het glazen venster is een diëlektricum met εr=40.02i\underline\varepsilon_r = 4 - 0.02\iu: brekingsindex, en de lengte waarover de intensiteit erin wordt verzwakt; wordt het glas warm?
  6. Een metalen vork in de oven: het veld aan haar punten wordt versterkt; schat met de indringdiepte van vraag 8 de stroomdichtheid aan het oppervlak voor H0=300A/mH_0 = 300\,\mathrm{A}/\mathrm{m} (gebruik jH0/δj \approx H_0/\delta aan het oppervlak) en de plaatselijke verwarming j2/γj^2/\gamma — waarom vonken?

Deel III — De draad bij radiofrequentie. Een koperdraad met straal a=0.5mma = 0.5\,\mathrm{mm} (γ=6×107S/m\gamma = 6 \times 10^{7}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) in de spoel van een inductieverwarmer op 13.56MHz13.56\,\mathrm{MHz} voert 20A20\,\mathrm{A} effectief.

  1. Indringdiepte; effectieve geleidende doorsnede; wisselstroomweerstand per meter tegenover gelijkstroom.
  2. Gedissipeerd vermogen per meter spoeldraad; temperatuur die de draad zou bereiken bij convectieve koeling met h=20W/(m2K)h = 20\,\mathrm{W}/(\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{K}).
  3. De spoel wekt stromen op in een stalen werkstuk (γ=1×106S/m\gamma = 1 \times 10^{6}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}, μr1\mu_r \approx 1 wanneer het heet is): indringdiepte daar; waarom verwarmt inductieverwarming alleen een oppervlaktelaag, en hoe wordt dat gebruikt om tandwielen te harden?
  4. Om het verlies in de spoel te verminderen wordt de draad vervangen door een koperen buis van 3mm3\,\mathrm{mm} met water erin: nieuwe weerstand per meter; voert de binnenkant van de buis stroom?
  5. Bij welke frequentie zou de indringdiepte in koper gelijk zijn aan de straal van de draad? Welke benadering vervangt daaronder de formule voor een “dikke draad”?

Deel IV — Het prisma. Een glassoort heeft n(λ)=1.500+5.0×103nm2/λ2n(\lambda) = 1.500 + 5.0 \times 10^{3}\,\mathrm{nm}^{2}/\lambda^2, met haar resonantie bij λ0=100nm\lambda_0 = 100\,\mathrm{nm}.

  1. Ga na dat de vorm van Cauchy ver onder de resonantie uit het model van Lorentz volgt, en dat ωp2/ω02=n2()1\omega_p^2/\omega_0^2 = n^2(\infty) - 1: waarde van ωp2/ω02\omega_p^2/\omega_0^2 en van de effectieve nn voor dit glas.
  2. Brekingsindex en fasesnelheid bij 400nm400\,\mathrm{nm} en 700nm700\,\mathrm{nm}; groepsindex bij 550nm550\,\mathrm{nm}; vertraging tussen de twee kleuren over 1km1\,\mathrm{km} van dit glas in een vezel.
  3. Een prisma van 6060{}^{\circ} bij minimale afwijking voor 550nm550\,\mathrm{nm}: afwijking (gebruik nsin(A/2)=sin((A+D)/2)n\sin(A/2) = \sin((A + D)/2)); hoekafstand tussen 400nm400\,\mathrm{nm} en 700nm700\,\mathrm{nm} (differentieer); breedte van het spectrum op een scherm 2m2\,\mathrm{m} verderop.
  4. Waarom is het glas ondoorzichtig bij 200nm200\,\mathrm{nm}, en welke kleur heeft het als een spoor ijzer er een zwakke resonantie bij 700nm700\,\mathrm{nm} aan toevoegt?
  5. Waarom wordt blauw in het beeld van Lorentz sterker afgebogen door het prisma dan rood?
  6. Geef in één tabel, voor de F-laag, het staal, het koper en het glas bij hun werkfrequenties, de aard van γ\underline\gamma en het lot van de golf.
Oplossing

Oplossing van Probleem 14.1.

1. fp=9MHzf_p = 9\,\mathrm{MHz}: gps komt erdoor, de kortegolf wordt teruggekaatst.

2. k=(ω/c)1ωp2/ω2k = (\omega/c)\sqrt{1 - \omega_p^2/\omega^2}: vφ=ω/kc(1+ωp2/2ω2)v_\varphi = \omega/k \approx c(1 + \omega_p^2/ 2\omega^2), vg= ⁣dω/ ⁣dk=c2k/ωc(1ωp2/2ω2)v_g = \dd\omega/\dd k = c^2k/\omega \approx c(1 - \omega_p^2/2\omega^2).

3. Δt=(1/vg1/c) ⁣dz=ωp2 ⁣dz/2cω2=e2NT/2ε0mcω2=(e2/8π2ε0mc)NT/f2=1.34×107×2×1017/2.48×1018=11ns\Delta t = \int(1/v_g - 1/c)\dd z = \int\omega_p^2\dd z/2c\omega^2 = e^2N_T/2\varepsilon_0 mc\omega^2 = (e^2/8\pi^2\varepsilon_0mc)N_T/f^2 = 1.34 \times 10^{-7} \times 2 \times 10^{17}/2.48 \times 10^{18} = 11\,\mathrm{ns}: 3.2m3.2\,\mathrm{m}.

4. NT=(Δt1Δt2)/K(1/f121/f22)N_T = (\Delta t_1 - \Delta t_2)/K(1/f_1^2 - 1/f_2^2); het verschil is 7ns7\,\mathrm{ns}: voor 1%1\% is 0.07ns0.07\,\mathrm{ns} nodig.

5. vφv_\varphi overtreft cc met evenveel als vgv_g tekortkomt: de fase van de draaggolf komt te vroeg aan terwijl de modulatie te laat komt. Een ontvanger die de fase van de draaggolf gebruikt, past de correctie met het omgekeerde teken toe.

6. 3.2m3.2\,\mathrm{m} overdag, 0.3m0.3\,\mathrm{m} ’s nachts.

7. fp=0.9MHzf_p = 0.9\,\mathrm{MHz} met botsingen: midden- en kortegolf worden geabsorbeerd (een radiostilte); gps op 1.5GHz1.5\,\mathrm{GHz} ondervindt een absorptie 1/ω2\propto 1/\omega^2, verwaarloosbaar.

8. f1Δt=1.575×109×1.1×108=17f_1\Delta t = 1.575 \times 10^9 \times 1.1 \times 10^{-8} = 17 perioden.

9. δ=2/μ0γω=10µm\delta = \sqrt{2/\mu_0\gamma\omega} = 10\,\text{µ}\mathrm{m}: een wand van een millimeter is honderd indringdiepten.

10. Rs=1/γδ=0.1ΩR_s = 1/\gamma\delta = 0.1\,\Omega; 12RsH02=45W/m2\tfrac12R_sH_0^2 = 45\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}: 45W45\,\mathrm{W}, 6%6\%.

11. eπ×0.5=0.21\eu^{-\pi \times 0.5} = 0.21: 14dB-14\,\mathrm{dB} in amplitude, 27dB-27\,\mathrm{dB} in vermogen (en het kleine gat koppelt sowieso al slecht).

12. Licht, λ=0.5µm\lambda = 0.5\,\text{µ}\mathrm{m}, is tweeduizend keer kleiner dan de gaten en gaat erdoor; de microgolf, λ=12cm\lambda = 12\,\mathrm{cm}, is honderd keer groter.

13. n=20.005i\underline n = 2 - 0.005\iu; c/2nω=1.9mc/2n''\omega = 1.9\,\mathrm{m}: het glas wordt nauwelijks warm.

14. jH0/δ=3×107A/m2j \approx H_0/\delta = 3 \times 10^{7}\,\mathrm{A}/\mathrm{m}^{2}, j2/γ=9×108W/m3j^2/\gamma = 9 \times 10^{8}\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{3} in een laag van tien micrometer: de punten worden binnen milliseconden heet, zenden elektronen uit en ioniseren de lucht — vonken.

15. δ=18µm\delta = 18\,\text{µ}\mathrm{m}; doorsnede 2πaδ=5.6×108m22\pi a\delta = 5.6 \times 10^{-8}\,\mathrm{m}^{2} tegen πa2=7.9×107m2\pi a^2 = 7.9 \times 10^{-7}\,\mathrm{m}^{2}: Rac=0.30Ω/mR_{\text{ac}} = 0.30\,\Omega/\mathrm{m}, veertien keer de gelijkstroomwaarde.

16. RI2=120W/mRI^2 = 120\,\mathrm{W}/\mathrm{m}; oppervlak πd=3.1×103m2\pi d = 3.1 \times 10^{-3}\,\mathrm{m}^{2} per meter: ΔT1900K\Delta T \approx 1900\,\mathrm{K} — hij zou smelten; zulke spoelen zijn watergekoelde buizen.

17. δ=0.14mm\delta = 0.14\,\mathrm{mm}: de opgewekte stroom, en de warmte, blijven in een tiende millimeter; een korte puls gevolgd door afschrikken hardt het oppervlak van een tandwiel terwijl de kern taai blijft.

18. R=1/γ2πaδ=0.10Ω/mR = 1/\gamma2\pi a\delta = 0.10\,\Omega/\mathrm{m}, drie keer minder; de binnenkant voert niets — vandaar een buis, met het koelwater waar het koper toch verspild zou zijn.

19. δ=a\delta = a bij f=1/πμ0γa2=17Hzf = 1/\pi\mu_0\gamma a^2 = 17\,\mathrm{Hz}; daaronder is de stroom uniform en geldt de gelijkstroomformule.

20. n21+ωp2/ω02+(ωp2/ω02)(λ0/λ)2n^2 \approx 1 + \omega_p^2/\omega_0^2 + (\omega_p^2/\omega_0^2)(\lambda_0/\lambda)^2: de vorm van Cauchy met n()21=ωp2/ω02=1.25n(\infty)^2 - 1 = \omega_p^2/\omega_0^2 = 1.25 voor n()=1.5n(\infty) = 1.5.

21. n=1.531n = 1.531 en 1.5101.510, v=1.96v = 1.96 en 1.99×108m/s1.99 \times 10^{8}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; ng(550)=1.550n_g(550) = 1.550; ng(400)ng(700)=0.063n_g(400) - n_g(700) = 0.063: 210ns210\,\mathrm{ns} over een kilometer.

22. sin((A+D)/2)=1.5165×0.5\sin((A + D)/2) = 1.5165 \times 0.5: D=38.6D = 38.6{}^{\circ};  ⁣dD=2sin(A/2) ⁣dn/cos((A+D)/2)=1.53 ⁣dn\dd D = 2\sin (A/2)\dd n/\cos((A + D)/2) = 1.53\,\dd n: ΔD=1.85\Delta D = 1.85{}^{\circ}, 6.5cm6.5\,\mathrm{cm} op 2m2\,\mathrm{m}.

23. Bij 200nm200\,\mathrm{nm} nadert de frequentie de resonantie en groeit nn'': ondoorzichtig. Een zwakke resonantie bij 700nm700\,\mathrm{nm} slikt het rood: groen glas.

24. Blauw ligt dichter bij de ultraviolette resonantie: de gebonden elektronen reageren sterker, nn is groter, en de afwijking dus ook.

25. F-laag bij 1.5GHz1.5\,\mathrm{GHz}: imaginaire γ\underline\gamma, voortplanting met een kleine groepsvertraging. Staal bij 2.45GHz2.45\,\mathrm{GHz}: reële γ\underline\gamma, huideffect, reflectie. Koper bij 13.56MHz13.56\,\mathrm{MHz}: hetzelfde, met een huid van 18µm18\,\text{µ}\mathrm{m}. Glas in het zichtbare: iωε0χ\iu\omega\varepsilon_0\chi, een reële brekingsindex, een doorzichtig dispersief medium.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst